Opinie

Een immigratieland moet keuzes maken

Bevolkingsgroei Pas nu het denken over Nederland immigratieland zich doorzet, zijn we toe aan betere ordening van migratie en asiel. Daar hoort een nieuw sociaal contract bij, schrijft .
Illustratie Cyprian Koscielniak

Na vele omwegen ligt er dan eindelijk het eerste deel van een studie over bevolkingsgroei, vergrijzing en immigratie. Een van de conclusies is dat de ‘autochtone’ beroepsbevolking in de komende decennia sterk zal krimpen. Om die krimp tegen te gaan is arbeidsmigratie nodig. Zo leidt de vergrijzing tot verdere verkleuring.

Het rapport Bevolking 2050 in beeld is gemaakt door het instituut dat zich met demografie bezighoudt, het NIDI, en door de statistici van het CBS. Het schildert de mogelijke veranderingen in omvang en samenstelling van de bevolking. Zeven varianten worden beschreven op basis van uiteenlopende veronderstellingen over het migratiesaldo, het kindertal en de levensverwachting.

Er staan veel interessante gegevens in dit eerste deel, maar het meeste werk moet nog worden gedaan. De Tweede Kamer vroeg twee jaar geleden immers om een studie naar de gevolgen van deze demografische veranderingen voor onder meer de arbeidsmarkt, woningbouw, energievoorziening, sociale zekerheid en integratie. Dat tweede deel is door de regering toegezegd voor begin volgend jaar – misschien nog net voor de verkiezingen.

In maart dit jaar was ik aanwezig bij een sessie in het Catshuis over de demografische veranderingen die in dit rapport bijeen zijn gebracht. Het bleek al snel dat de kennis over de gevolgen van bevolkingsgroei bij de verschillende ministeries zeer uiteenloopt: over de gezondheidszorg is meer nagedacht dan over de woningmarkt, over het onderwijs bestaan duidelijker beelden dan over de mobiliteit.

Aanzienlijke gevolgen

De gevolgen van een snelle bevolkingsgroei – de afgelopen vijf jaar gemiddeld met honderdduizend mensen – zijn aanzienlijk. Een voorbeeld: mede door deze groei zal het tekort aan woningen toenemen. Daarbij speelt ook de groei van het aantal eenpersoonshuishoudens. Er moeten jaarlijks zo’n negentigduizend huizen worden gebouwd. Dat lukt nu al niet: het tekort zal waarschijnlijk oplopen tot vierhonderdduizend of meer.

Of denk aan de mobiliteit in Nederland: een bevolking van zeventien miljoen of van twintig miljoen mensen maakt een groot verschil. Omvangrijke investeringen zijn nodig – onder meer in het openbaar vervoer – om zo’n groei in mobiliteit op te vangen. Toch is het denken over zulke gevolgen nog niet echt aangevat.

Omdat de bevolkingsgroei nu voor bijna negentig procent voortvloeit uit migratie is een doordacht migratiebeleid van groot belang: niet alleen voor de arbeidsmarkt, maar evenzeer voor de zorg of het onderwijs. En voor de sociale samenhang. Door het uitstel van dit deel van het onderzoek wordt voorlopig geen recht gedaan aan de parlementaire opdracht. En dat is, na twee jaar omtrekkende bewegingen, verwijtbaar.

In dit eerste deel gaat het wel over de samenhang van immigratie en arbeidsmarkt, maar de bredere maatschappelijke afweging blijft nog buiten beeld. Die is wel nodig, want nu stuurt het ondernemersbelang te veel de arbeidsmigratie. De gevolgen zien we aan de onderkant schrijnend in de slachterijen waar de corona een verdienmodel blootlegt dat drijft op slechte arbeidsomstandigheden en ondermaatse huisvesting.

Lees ook: ‘Huisvesting van arbeidsmigranten is niet sexy’

Kramp rond migratie

Het parlement vroeg om verschillende migratiescenario’s. Bevolking 2050 in beeld rekent met een ‘lage’ variant van 28.000 en een ‘hoge’ variant van 93.000 jaarlijks: „Een laag of hoog migratiesaldo leidt tot een verschil van bijna 2,5 miljoen inwoners in 2050.” Dat zulke rekensommen nu eindelijk zijn gemaakt is winst. Zelfs als we de maakbaarheid van migratie relativeren, valt er echt iets te kiezen.

Dit inzicht is van cruciale betekenis voor overheidsbeleid. Het vermogen van een samenleving om veranderingen vorm te geven bepaalt of de kramp rond migratie voortduurt. Een van de zeven varianten is de meest recente prognose van het CBS die in het huidige beleid wordt gebruikt. Volgens deze prognose zal in 2050 de bevolking voor 36 procent bestaan uit eerste en tweede generatie migranten. Dat zijn 7 miljoen mensen – nu zijn dat er 4,3 miljoen.

In het gesprek over migratie gaat het vaak over de vooruitgang van de eerste naar de tweede generatie. Die is onmiskenbaar, ook al laat die zich niet in één beeld vangen: de diversiteit van de diversiteit neemt toe. Maar volgens de prognose van het CBS zal in 2050 door de nieuwe migratie de eerste generatie nog steeds groter zijn dan de tweede: 3,9 en 3,1 miljoen. Dus de opdracht van ‘inburgering’ – wat daar ook precies onder wordt verstaan – zal er niet kleiner op worden.

De oefening om migratiescenario’s te maken brengt bij elkaar wat nu bestuurlijk uit elkaar is gehaald: immigratie en inburgering. Die versnippering is niet goed, want heldere keuzes over immigratie helpen bij het verminderen van spanningen. Van verschillende kanten – onder meer door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken – wordt daarom gepleit voor een minister die verantwoordelijk is voor immigratie en inburgering.

De samenleving niet overvragen

Vaak hoor je dat migratie zich aan sturing onttrekt. We realiseren ons te weinig dat het idee van een geringe maakbaarheid van de immigratie hand in hand gaat met de veronderstelling dat de samenleving beschikt over een groot vermogen tot aanpassing. Begin jaren negentig spraken Ruud Lubbers en Jan Pronk al over een „kritische grens”. Toen vormde die immigratie nog een betrekkelijk klein deel van de bevolking.

Deze discussie van dertig jaar geleden leert ons twee dingen: er is meer aanpassing mogelijk dan we vaak denken en tegelijk kan men een samenleving overvragen. Daarom is het beter om de plooibaarheid van een samenleving niet te overschatten en de sturing van migratie niet te onderschatten. Beide hebben hun grenzen.

Dat aanpassingsvermogen zal nodig zijn, want de combinatie van vergrijzing en verkleuring gaat de bevolking veranderen, zo leren we uit het rapport. Wanneer we de prognose van het CBS volgen, dan komen we in 2050 uit op een bevolking met 4,8 miljoen 65-plussers, van wie 75 procent autochtoon is, en een beroepsbevolking van 10,3 miljoen, van wie 42 procent een migratieachtergrond heeft.

De krimp van de ‘autochtone’ beroepsbevolking met een miljoen mensen in de komende dertig jaar vraagt volgens het rapport om arbeidsmigratie – ook laaggeschoolde. Het blijkt: migratiebeleid is ook generatiebeleid. Maar dat kan nooit de enige oplossing zijn: verbetering van de arbeidsparticipatie en arbeidsproductiviteit bieden een andere uitweg.

Deze krimp wordt ook opgevangen door digitalisering en robotisering die waarschijnlijk voor minder werk gaan zorgen. De geschiedenis leert dat laaggeschoolde arbeidsmigratie een rem is op innovatie. En die geschiedenis leert tegelijk dat een generationele overdracht van achterstanden geen uitzondering is: de erfenis van laagopgeleide migratie werkt lang door.

Lees ook dit essay: Paul Scheffer, 20 jaar na zijn essay: Migratie is maakbaar

Meer sturing, lastige vragen

Verder zegt de omvang van de krimp nog niets over de vraag of migratie een antwoord kan zijn. Zo kan een tekort aan leraren niet worden opgevangen door nieuwkomers die geen Nederlands spreken. Voordat we zoeken naar arbeidsmigranten moeten we ons afvragen waarom sommige banen niet aantrekkelijk zijn. Wat zeggen die tekorten over de honorering en de werkomstandigheden?

Wie zoekt naar meer sturing ontkomt niet aan de volgende vragen. Willen we alleen kennismigranten van buiten de Europese Unie aantrekken of ook laaggeschoolde migranten? Hoe kan de arbeidsmigratie binnen de Unie beter worden gereguleerd om nieuwe vormen van uitbuiting tegen te gaan? Zijn er grenzen aan de humanitaire verplichting wat betreft de opvang van vluchtelingen? En ten slotte, wat is de gewenste omvang van studiemigratie: hoe ver moet de internationalisering van het hoger onderwijs gaan?

Migratie kan veel bijdragen aan een open samenleving – zeker als die migratie goed doordacht is. Het debat over racisme zou winnen bij de vaststelling dat discriminatie op de arbeidsmarkt, die onmiskenbaar voorkomt, door de demografische veranderingen steeds meer onder druk komt te staan. Diversiteit is niet voor niets een buzzwoord in ondernemerskringen.

De motie die op 21 september 2018 werd aangenomen – en waar dit rapport een eerste uitkomst van is – werd breed gesteund door de fractievoorzitters van VVD, CDA, PvdA, 50Plus, ChristenUnie, D66 en SGP. Die Kamerbrede steun laat zien dat een doordacht migratie- en asielbeleid bijdraagt aan het herstel van het politieke midden.

Staat van ontkenning voorbij

De vraag is waarom het zo lang duurt voordat Nederland heldere keuzes maakt. Het antwoord is dat we ons land niet hebben willen zien als immigratieland. Eindeloos veel politici hebben geleefd in staat van ontkenning. Pas nu het denken over Nederland immigratieland zich doorzet zijn we toe aan een betere ordening van migratie en asiel.

Ook het NIDI-rapport opent voorzichtig die weg: „De demografische toekomst is tot op zekere hoogte maakbaar”. Er zijn zeker grenzen aan die maakbaarheid: „In alle bevolkingsvarianten neemt het aandeel ouderen toe, stijgt het aantal mensen met een migratieachtergrond en groeit het aantal huishoudens. Hoogstens kan de omvang van deze veranderingen worden beïnvloed door beleid.” Zo verwijderen we ons stap voor stap van het wat machteloze gevoel dat de migratie nu omgeeft.

Breuklijnen tussen jong en oud, tussen laag- en hoogopgeleid en tussen ingezetenen en nieuwkomers vragen om een nieuw sociaal contract. Dat is een mooie opdracht. Bewuste vormgeving van Nederland als immigratieland helpt om zulke tegenstellingen te overbruggen. De zoektocht naar een evenwichtige bevolkingsgroei raakt iedereen: we hebben echt iets te kiezen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.