DNB onderzoekt eigen slavernijverleden

De Nederlandsche Bank In de beginjaren van De Nederlandsche Bank waren bestuurders betrokken bij de financiering van slavernij, zo blijkt uit onderzoek van Vrij Nederland. DNB laat historisch onderzoek doen.

Bezoekers bij het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Amsterdamse Oosterpark tijdens de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij.
Bezoekers bij het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Amsterdamse Oosterpark tijdens de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij. Foto Remko de Waal/ANP

De Nederlandsche Bank stelt een onderzoek in naar de relatie van haar bestuurders met slavernij in haar beginjaren. Dat zegt DNB, die in 1814 werd opgericht, na publicatie van een onderzoeksartikel in Vrij Nederland. Daarin wordt de betrokkenheid van presidenten en directieleden van DNB bij de slavernij beschreven.

De handelshuizen van de families van de twee eerste presidenten van DNB hadden belegd in krediet voor plantages in het Caraïbisch gebied, zo blijkt uit het artikel van VN. Op die plantages werkten destijds vrijwel alleen mensen die tot slaaf waren gemaakt. Uit een proefschrift uit 1973 waarop VN zich baseert, staat dat de familiefirma van Paul Hogguer, de eerste DNB-president, in plantageleningen had belegd, al is niet duidelijk of Hogguer zelf handelde in deze leningen. Het handelshuis van de familie van Jan Hodshon, de tweede president, gaf in 1789 een lening uit aan een plantage in Sint Eustatius.

Verder vond VN in het Nationaal Archief dat drie topbestuurders van DNB gebruikmaakten van de compensatieregeling van de Nederlandse overheid voor de afschaffing van de slavernij in 1863. Per vrijgemaakte voormalige slaaf ontvingen oud-eigenaren 300 gulden (omgerekend is dat nu zo’n 7.000 euro) of delen daarvan, als iemand aandelen in plantages had, schrijft VN. Bij DNB maakte onder meer Jacobus Insinger, die in 1863 in de directie zat, van de regeling gebruik. Hij had plantages en aandelen daarin, plus 214 mensen persoonlijk in zijn bezit.

Lees ook: Door slavernij bleef Holland een handelsnatie van belang

Onafhankelijk onderzoek

„We zijn ons bewust van de huidige discussie over het Nederlandse slavernijverleden”, stelt DNB in haar reactie op het VN-artikel. Daarom is besloten tot „historisch onderzoek” door „een onafhankelijke partij”. Een DNB-woordvoerder zegt tegen NRC dat de directie van de centrale bank, geleid door president Klaas Knot, op 28 juni besloot tot het onderzoek. Pas toen VN over het thema berichtte, meldde DNB hier iets over.

Aanleiding voor het onderzoek vormt volgens DNB een verklaring van haar Britse evenknie, de Bank of England, over het eigen slavernijverleden op 19 juni. De Bank of England stelde toen dat zij zich „bewust is” van de „onvergeeflijke connecties” van voormalige gouverneurs en directeuren met de slavernij. „Daar bieden we onze excuses voor aan.” De bank kondigde aan dat zij, na verder onderzoek, de portretten zal verwijderen van bestuurders die bij de slavernij betrokken waren.

DNB biedt nog geen excuses aan. „Na afronding van het onderzoek besluit DNB over eventuele vervolgstappen”. Ook zegt DNB niets over het eventueel verwijderen van portretten. DNB werkt nu in een tijdelijk kantoor, in verband met de verbouwing van het hoofdkantoor aan het Amsterdamse Frederiksplein. Historische schilderijen zijn nu in opslag, maar tot voor kort hingen in het hoofdkantoor de portretten van alle DNB-presidenten, behalve dat van NSB’er Meinoud Rost van Tonningen die in de oorlogsjaren president was. De portretten van de eerste twee presidenten, die volgens het artikel van VN slavernijconnecties hadden, hingen daar ook bij.

Weduwe Borski

In een vergaderzaal in het hoofdkantoor hing, tot de verbouwing, tevens het portret van Johanna Borski, een belangrijke Amsterdamse financier die bekend werd als de ‘weduwe Borski’. Borski speelde een belangrijke rol bij de oprichting van DNB én had, zo schrijft VN, plantageleningen uitstaan in Guyana.

De oprichting van DNB door Willem I gebeurde door middel van de uitgifte van vijfduizend aandelen door de staat, maar de interesse daarvoor van beleggers viel tegen. Er werden er in eerste instantie slechts drieduizend verkocht. Borski kocht de laatste tweeduizend aandelen, waardoor DNB het leven kon zien. DNB is Borski daarvoor nog altijd „dankbaar”, zei Klaas Knot vorig jaar bij oprichting van het Borski Fonds voor vrouwelijke ondernemers.

Nu zegt DNB in haar reactie tegenover VN: „Van de weduwe Borski, die DNB in haar oprichtingsjaren mede financierde, is bekend dat zij met haar vermogen plantages in Suriname en elders in het Caraïbisch gebied financierde.”