Reportage

De kinderen van Srebrenica leren thuis elk hun eigen waarheid over de genocide

25 jaar Srebrenica Hoe is de genocide van 25 jaar geleden verwerkt in Srebrenica zelf? Nauwelijks, zo lijkt het. Kinderen krijgen er geen les over en mensen die er buiten over spreken dempen hun stem. „Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Wat gebeurd is, is gebeurd.”

De stad Srebrenica.
De stad Srebrenica. Foto Midhat Poturovic

Aan het einde van de zomermiddag is de temperatuur eindelijk te harden op de sportvelden voor de basisschool midden in Srebrenica. Drie Bosnisch-Servische tieners dribbelen rond het basketbalnet, even verderop voetballen wat kleinere jochies. De school, waar les wordt gegeven aan meer dan 230 kinderen van zes tot en met vijftien jaar, heeft ook nog een atletiekbaan. Allemaal betaald met internationaal hulpgeld.

Sinds de genocide van 1995 is er flink geïnvesteerd om dit verwoeste Oost-Bosnische stadje leefbaar te maken. Zodat de moslims, ook wel Bosniakken, die de oorlog vol etnische zuiveringen overleefd hadden, naar huis konden terugkeren. Maar ook de Servische bewoners hebben baat bij werkgelegenheid, infrastructuur en voorzieningen. Hoe leven zij op de ‘schuldige grond’ van de enige genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog? Durven zij onder ogen te zien wat voor vreselijks zich hier heeft afgespeeld?

Op school in ieder geval niet, daar leren de kinderen er geen woord over, zegt Aleksandar (15), die even pauze neemt van het basketballen. „Ik heb net mijn laatste jaar afgerond en we hebben het niet behandeld. Onze geschiedenislessen houden op bij het uiteenvallen van Joegoslavië.” Dat is bijna dertig jaar geleden. Over wat er daarna gebeurde, wordt in Srebrenica vooral gefluisterd. „Ik weet niet wat ik ervan moet denken”, zegt Aleksandar. Hij haalt zijn schouders op in zijn witte sporthemd. „Wat gebeurd is, is gebeurd.”

Binnen in het schoolgebouw, onder donkere portretten van oude, nationalistische Servische schrijvers, vindt de directeur het weinig relevant om lessen te trekken uit de recente geschiedenis. „Dat onderwerp is nog steeds taboe. Ook volwassenen blijven erbij uit de buurt. We proberen niemand te kwetsen en op dit moment kun je niets over de oorlog zeggen zonder iemand pijn te doen”, zegt Dragi Jovanovic (56). Bovendien, vindt de schooldirecteur, „je moet kinderen alleen dingen leren die onbetwist waar zijn”. Zijn manier om te zeggen: dat van die genocide krijg je er bij ons Serviërs niet in.

Zevenduizend witte grafstenen

Internationaal bestaat er behoorlijke consensus dat wat zich 25 jaar geleden in Srebrenica voltrok zwaarder was dan andere slachtingen en etnische zuiveringen tijdens de Bosnische oorlog (1992-1995). Ruim achtduizend Bosniak mannen en jongens werden in juli 1995 in een paar dagen verdreven, omgebracht en in massagraven verborgen. Hun moeders, vrouwen en kinderen werden mishandeld en gedeporteerd, door Bosnisch-Servische strijders. Het vermoorden en anderszins ernstig beschadigen van mensen „met de intentie om, geheel of gedeeltelijk, een nationale, etnische, raciale of religieuze groep te vernietigen”, valt onder de definitie van genocide die de Verenigde Naties hanteren. Voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag zijn (Bosnisch-)Servische politieke en militaire leiders voor die grootste misdaad tegen de menselijkheid veroordeeld.

Maar in Servië, en hier in het door Serviërs gedomineerde deel van Bosnië, ontbreekt die erkenning. Historisch onderzoek, gerechtelijke uitspraken, het herdenkingscentrum voor de slachtoffers en de begraafplaats met 8.372 namen en ruim zevenduizend witte grafstenen hier vlakbij, gelden niet als bewijs. De genocide wordt in toenemende mate ontkend, gebagatelliseerd en gerelativeerd met het argument dat aan Servische kant evengoed geleden is. Tot in het stadhuis van Srebrenica toe.

Vier jaar geleden koos de tot amper zesduizend inwoners gekrompen gemeente, met net iets meer etnische Serviërs dan moslims, Mladen Grujicic (38) tot burgemeester. Voor hem is juli 1995: „Het moment dat Srebrenica eindelijk bevrijd werd. Bevrijd van de Bosniakken.”

Grujicic was tien jaar en woonde in een dorp vlakbij, toen zijn vader omkwam in de strijd. Hij zegt „niemands persoonlijke leed en verlies te willen onderschatten”. Maar hij betwist vrijwel de hele geschiedschrijving van de val van de moslimenclave: de opzet, het aantal doden, hun identiteit en het moment waarop zij omkwamen. Hoe komt het dat er ook mannen liggen die al voor 1995 omkwamen? Het Joegoslavië-tribunaal en de internationale gemeenschap noemt hij „bevooroordeeld”. Het herdenkingscentrum, dat hij nog nooit bezocht heeft, had wat hem betreft niet in deze gemeente gebouwd mogen worden. „Ik zal nooit accepteren dat wij bestempeld worden als genocidaal volk.”

Het ontkennen van genocide wordt gezien als de laatste fase ervan: het uitwissen van de slachtoffers door te ontkennen dat ze bestaan.

Onder Serviërs is altijd verzet geweest tegen het genocidelabel, maar de stemmen die de slachting afdoen als een van de vele incidenten in een jaren durende strijd klinken steeds luider, nu ook in Srebrenica. In het stadje duiken regelmatig posters en graffiti op ter ere van generaal Ratko Mladic, die levenslang kreeg voor de genocide. In januari lieten negen jongens van de basisschool zich in Servische klederdracht vastleggen en zetten de foto op Instagram met het onderschrift: „Chetnik-broeders”. De Chetniks waren een nationalistisch Servisch guerrillaleger dat opereerde in beide wereldoorlogen en een homogeen Groot-Servië nastreefde. In de Joegoslavische oorlogen was die ideologie opnieuw leidend onder Servische strijders. Schooldirecteur Jovanovic zegt wat kinderen online uitspoken „niet als mijn verantwoordelijkheid” te zien, al werd de foto in een van zijn klaslokalen genomen.

Het voormalige hoofdkwartier van Dutchbat.
Foto Midhat Poturovic
De basisschool onder Servische leiding.
Foto Midhat Poturovic
Het herdenkingscentrum van de genocide
Foto Midhat Poturovic
Het voormalige hoofdkwartier van Dutchbat, de basisschool onder Servische leiding en het herdenkingscentrum van de genocide.
Foto’s Midhat Poturovic

Elders in Bosnië is het onderwijs volledig gesegregeerd, maar in Srebrenica gaan net iets meer moslim- dan orthodoxe kinderen naar dezelfde school. Ze hebben samen wiskunde, gym en tekenles. Maar bij geschiedenis, aardrijkskunde, taal en godsdienstlessen worden de klassen opgesplitst naar etniciteit, met een totaal ander curriculum. Zo worden kinderen opgeleid in parallelle werkelijkheden. Met eigen helden en eigen doden. Al wordt de genocide op deze school onder Servische leiding ook niet aan de Bosniak-scholieren onderwezen – te controversieel.

„Niets versterkt de identiteit van de verschillende etnische groepen meer dan hun slachtofferschap”, zegt Bojana Dujkovic, die een onderzoek naar Bosnische geschiedenisboeken begeleidde. Elk district schrijft zijn eigen curriculum en in geen daarvan is ruimte voor het leed of perspectief van ‘de ander’. Toch heeft Dujkovic ook begrip voor de vermijdende houding van de school in Srebrenica. „Ik heb zelf geschiedenisles gegeven en leraren zijn niet getraind om te gaan met klassen waar de trauma’s nog zo vers zijn. Waar kinderen thuis allemaal hun eigen waarheid leren.” Daarom stampen de scholieren in Bosnië vooral wat jaartallen. Terwijl de politici voor hun eigen achterban ruziën over wie het meeste geleden heeft. „Het is een soort wedstrijd geworden.”

Gemengd radiostation

Adem Mehmedovic (32) studeerde om geschiedenisleraar te worden en verhuisde zes jaar geleden terug naar Srebrenica, waar hij als kind met zijn familie was verjaagd. „Dit is misschien wel de enige plek ter wereld waar de slachtoffers van een genocide terugkeren en doorleven”, zegt hij. Maar hier zijn droom vervullen, lukte niet. „Van de school kreeg ik te horen dat een Bosniak hier geen geschiedenis mag onderwijzen.”

Hij is er niet bitter over. „Psychisch is het soms moeilijk om hier te wonen”, zegt Mehmedovic. Sommige daders doen dat ook nog. „Maar de kwaliteit van leven is goed. En we moeten het uiteindelijk toch samen doen.” Hij voetbalt in een gemêleerd elftal en kent vier gemengde stellen die recent getrouwd zijn. In plaats van op de school kwam hij te werken bij de lokale radio. Een publieke omroep onder Bosnisch-Servisch bewind die wordt gezien als succesverhaal in de verzoening tussen de twee etniciteiten. „En wij hebben het altijd ‘gewoon’ over genocide in onze uitzendingen.” Maar terwijl Mehmedovic dat woord uitspreekt, op het terras van een Servisch café tegenover het stadhuis, gaat hij zachter praten. De gevoeligheid blijft.

Lees ook over dit reizende monument: ‘Telkens als dit kunstwerk voor Srebrenica zich voltrekt, is dat dieptriest en prachtig tegelijk’

Ook weduwe Sehida Abdurahmanovic (65) kwam terug naar de plek des onheils. Haar broer is een van de mannen die na 25 jaar nog steeds vermist zijn. Volgens haar waren hun oude, Servische buren daarbij betrokken. En moeten zij weten waar in de bossen zijn botten te vinden zijn. „Als ik ernaar vraag, begint de buurvrouw alleen te huilen. Blijkbaar is de tijd er nog niet rijp voor.” De tijd om met het verleden van Srebrenica in het reine te komen.

De publieke zwijgzaamheid blijkt vooral hardnekkig onder Servische vrouwen, die onder geen beding met hun naam in de krant willen verschijnen. „Natuurlijk weet ik welke ellende zich hier heeft afgespeeld”, zegt een oudere vrouw in een bloemetjesjurk. „Ik heb meer Bosnische dan Servische vrienden en ik stem niet op deze burgemeester. Maar, sssttt, ik wil niet dat er hier over mij geroddeld wordt.”

Ook scholier Aleksandar zegt ondanks het beperkte geschiedenisonderwijs te weten wat zich in Srebrenica heeft afgespeeld. „Ik heb het wel gehoord van mijn ouders, dat hier een genocide was.” Is dat echt de versie die in zijn Servische gezin gangbaar is? Aleksandar: „Of nee, eigenlijk waren er twee genocides. Er zijn aan beide kanten doden gevallen.”