Recensie

Recensie Boeken

Na de scheiding reist hij naar Japan, op zoek naar zichzelf

Nadat zijn huwelijk is gestrand reist architect Luut af naar Japan. Het probleem met Het wolkenpaviljoen, de vierde novelle van Jannie Regnerus, is dat elk moment topzwaar is.

Het probleem van de hoofdpersoon, architect Luut, wiens huwelijk gestrand is, is in zekere zin ook de makke van Het wolkenpaviljoen. Luut ging zózeer op in het vormgeven van een thuis voor zijn gezin, in het inrichten en decoreren, dat hij geen aandacht had voor zijn vrouw: ‘Steeds vaker vluchtte ze weg van de bouwplaats, naar iemand met wie ze haar gedachten kon delen. Luut had geen tijd om door te vragen.’

Doorvragen – daarvoor is het zaak goed te luisteren en je echt te engageren met mensen, en dat laat Jannie Regnerus (1971) er in haar vierde novelle Het wolkenpaviljoen ook bij inschieten. Te druk met vormgeven. Verstilling is hét kenmerk van haar bescheiden, breed gewaardeerde oeuvre: haar zinnen doen uiterst gepolijst aan, haar bedachtzame observaties bevriezen de wereld even. Deze novelle bestaat dan ook niet uit scènes uit een huwelijk, eerder uit bespiegelingen naar aanleiding van die scènes. Steeds creëren de geslepen woorden afstand, geven ze reflectie weer. Dialogen zijn er helemaal niet, middenin de handeling voel je je als lezer nooit.

Luut reist naar Japan om daar getuige te zijn van een bijzonder evenement: de rituele heropbouw van de Ise Jingu-tempel, die al eeuwenlang iedere twintig jaar geheel wordt afgebroken, terwijl even verderop een replica verrijst. Die tempel is, voel je meteen, symbolisch voor wat er in het leven van Luut te gebeuren staat: hij moet zichzelf heropbouwen. Regnerus verwoordt dat hoogdravender: in Japan is hij ‘niet om daar zijn verleden opnieuw te beleven maar om er zijn toekomst terug te vinden.’

Strandbal

Regnerus vertelt over Luuts leven in fragmenten, in korte hoofdstukken, en steeds met een omweg. Leest Luut in de krant over een vogelnest in een fabriekshal, opgetrokken uit ijzerdraad, dan herkent hij het kille nest dat zijn huwelijk gevormd had. Observeert hij opvoedende bewegingen bij een zwanenfamilie, dan vertelt hem dat iets over zijn vaderschap. Niet alleen de Japanse tempel weerspiegelt zijn innerlijke woelingen, maar ook de draadkunstwerken van Do Lo Suh en een schilderij van Jan Mankes.

Het voornaamste probleem van die aanpak is hier de overdaad ervan. De symbolische bespiegelingen duiken niet af en toe in het verhaal op, als momenten van helderheid (zoals je die hebt in het leven), maar vormen het gehéle verhaal, álles is secundair. Er is daarnaast vrijwel geen handeling, we lezen verstilde taferelen, nooit gebeurt er gewóón iets, alles is topzwaar. Durfde Regnerus maar ergens direct te zijn, het leven kaal en naakt te tonen!

De gewichtige pretentie van de stijl wordt bovendien onderuit geschoffeld door een zekere onmacht: meermaals vervalt Regnerus in kitsch. Dieptepunt is het hoofdstukje waarin Luut een rode opblaasbal het strand op ziet stuiteren, schijnbaar afkomstig van de Noordzee. De bal krijgt epische proporties: ‘Met Engelse mensenadem tot leven gewekt, tussen kinderhanden heen en weer gekaatst en nu overgeleverd aan de grillen van een storm, een vrije val in horizontale richting.’ De bal stuitert voorbij, wat enorme indruk op Luut maakt – uit alles blijkt dat, maar Regnerus eindigt haar hoofdstuk, zoals vaker, nog met een zin als een uitroepteken: ‘Hoe vluchtig hun ontmoeting ook is geweest, lang genoeg voor Luut om zich achtergelaten te voelen.’ Door een strandbal! Regnerus’ vertelling leunt niet alleen zwaar op symboliek, die symboliek maakt dat je vooral een schrijver erg haar best ziet doen, terwijl ze daarmee de levendigheid uit haar personages schrijft.