Recensie

Recensie Boeken

Waar mensen migreren, verdwijnen volken

Migratie Door migratie werden de bewoners van Europa succesvol, al verdwenen daardoor wel hele volken. Twee nieuwe boeken beschrijven die vroege migratie.

Het klooster Ad Deir, in de rots uitgehouwen door de Nabateeërs rond het jaar 100 in wat nu Jordanië is.
Het klooster Ad Deir, in de rots uitgehouwen door de Nabateeërs rond het jaar 100 in wat nu Jordanië is. Foto Hollandse Hoogte/ANP

De veroveraars kwamen uit het oosten, met paarden vanaf de steppe. Het waren geen boeren, zoals de Europeanen zelf, maar nomaden. De migranten, veelal jonge mannen, troffen een deels ontvolkt continent aan dat ze binnen een paar eeuwen onder de voet liepen. We schrijven 2800 v.Chr. – en het oude Europa zou in één klap verdwijnen, om nooit meer terug te keren.

Hoe we dit allemaal weten? Dankzij de stormachtige ontwikkeling die het vakgebied van de archeogenetica het afgelopen decennium heeft doorgemaakt. Het is een hard gelag voor archeologen en historici, maar de belangrijkste geschiedkundige arbeid heeft al enige jaren niet meer plaats bij een opgraving of in het archief, maar in een laboratorium. Door te kijken naar het dna van stoffelijke resten van mensen die vele millennia geleden leefden, kunnen genetici namelijk precies vertellen waar zij en hun voorouders vandaan kwamen.

Deze nieuwe techniek levert inzichten op die allerlei in steen gebeitelde waarheden uit de archeologie en geschiedenis omver gooien. Er doemen inmiddels ook ongemakkelijke conclusies op: culturele veranderingen waren in de pre-historie niet alleen het gevolg van vreedzame uitwisseling, maar gingen ook samen met genetische ‘vervanging’.

Het Max-Planck-Institut für Menschheitsgeschichte in Jena loopt al vijftien jaar voorop in deze wetenschappelijke revolutie. Het is dan ook een zegen dat directeur Johannes Krause samen met wetenschapsjournalist Thomas Trappe nu een boek heeft geschreven dat alle verse inzichten in kaart brengt. De reis van onze genen. Onze geschiedenis en die van onze voorouders is met zijn 295 pagina’s niet dik, maar zelden zal in een werk van zo’n bescheiden omvang zoveel nieuws te lezen zijn geweest.

Eerste mensachtigen

Krause en Trappe beginnen lang geleden, in de tijd dat de eerste mensachtigen op aarde verschenen. Ongeveer 1,9 miljoen jaar geleden ontstond Homo erectus, de soort waaruit zich 600.000 jaar geleden de lijnen van de neanderthaler en Homo sapiens, de moderne mens, ontwikkelden. Homo sapiens moest diverse pogingen doen voordat hij 40.000 jaar geleden in Europa vaste voet aan de grond kreeg. De moderne mens werd hierna een succes, terwijl de neanderthaler van het toneel verdween. Gedurende tienduizenden jaren leefde Homo sapiens tevreden als jager-verzamelaar, totdat er 12.000 jaar geleden een revolutie plaatsvond.

Mede door klimaatverandering – de laatste ijstijd was net ten einde gekomen – ontwikkelde de mens in het Nabije Oosten toen de landbouw. De boerenpioniers in deze streek waren kennelijk succesvol, want we zien hun genen uitwaaieren over heel Europa en Azië. Het eerste bewijs daarvoor vond Krause in 2014 in het skelet van een vrouw die 7.000 jaar geleden leefde in de omgeving van Stuttgart. Haar genetische wortels lagen in Anatolië, zo bleek.

Sindsdien is dit resultaat honderden malen bevestigd: de landbouw kwam vanaf 8.000 jaar geleden niet als idee naar Europa, via een soort ideeënuitwisseling tussen buren, maar met een groep mensen die we nu Anatolische boeren noemen. Naast de landbouw brachten zij ook keramiek mee. Aan de hand van de stijl van potscherven die mensen vanaf dat moment achterlieten, stellen archeologen veranderingen in culturen vast.

Het duurde duizenden jaren voordat de landbouw in heel Europa doorzette. In die tijd leefden boeren en jagers naast elkaar. De laatsten hadden aanvankelijk niet veel zin de nieuwe levensstijl over te nemen, schrijven Krause en Trappe. ‘Hoewel de akkerbouwers meer kinderen kregen, was duidelijk welke prijs ze daarvoor betaalden: ze hadden gewoon geen vrije tijd.’ De jagers trokken zich in de loop van de tijd noodgedwongen terug op steeds kleinere stukken grondgebied.

Europese mannen

Uiteindelijk won de landbouw – dankzij vrijwillige vermenging, maar ook door geweld – en het waren boeren die rond 4.800 jaar geleden een nieuwe volksverhuizing aan de Europese oostgrens zagen verschijnen. Dit waren veehoeders, nomaden die hoorden bij wat we nu de Jamnacultuur noemen. Ze beschikten niet alleen over gedomesticeerde paarden, maar op een gegeven moment ook over brons. Dat maakte hun wapens harder en dus gevaarlijker.

De Akkadischekoning Naram-Sin (2254-2119 v.Chr.) Hans Ollerman

Wat er vervolgens gebeurde is onduidelijk, want we beschikken niet over graven uit de cruciale overgangsfase. Maar feit is dat na relatief korte tijd, misschien maar vijf generaties, de genetische handtekening van de jagerverzamelaarboeren in Europa aan het verdwijnen was. ‘Omgerekend naar de huidige getalsverhoudingen’, stellen Krause en Trappe, ‘zouden er tien miljard mensen naar Europa moeten komen om een vergelijkbare genetische omslag te veroorzaken.’ Dat is andere koek dan zelfs het meest vergaande migratiescenario dat het CBS deze week presenteerde.

Het is opvallend dat het dna dat door de vader wordt overgedragen in sterkere mate verdween dan het mitochondriaal dna, dat kinderen krijgen van hun moeder. Betekent dit dat de Jamna de Europese mannen massaal over de kling joegen, of dat de Europese vrouwen de nieuwkomers vrijwillig verkozen als partner vanwege hun paarden en zwaarden? We weten het niet. Al met al bestaat het genoom van de gemiddelde Centraal-, Noord-en West-Europeaan anno 2020 voor zo’n 70 procent uit het steppe-dna van de ‘anti-helden van dit verhaal’, zoals Krause en Trappe de Jamna noemen. In Zuid-Europa is het minder en nergens is het zo weinig als op Sardinië, met minder dan 5 procent. Hier leven dus de ‘puurste’ nakomelingen van de Anatolische boeren.

Waarschijnlijk is het zo, aldus de auteurs, dat de zuivering niet of niet alleen het gevolg was van geweld door de nieuwkomers. Europa zou in de periode voor hun verschijnen geteisterd kunnen zijn door een pestepidemie. Want het is vast geen toeval dat rond 5.000 jaar geleden de bacterie Yersinia pestis voor het eerst opduikt in lichaamsresten die door Krause en collega’s zijn geanalyseerd.

Verdwenen volkeren

Met de genetische overwinning van de nomaden, die opvallend genoeg meteen ophielden met zwerven en zich aan de landbouw zetten, kwam er in Europa en Azië nog geen einde aan migraties en de daarmee samenhangende culturele veranderingen. Degenen die hierbij in de brons- en ijzertijd het onderspit moesten delven, zullen voor veel mensen net zo in de vergetelheid zijn geraakt als de boeren van de steentijd.

Want vooruit, iedereen weet wel wie de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen zijn. En misschien hebben mensen ook nog wel gehoord van de Assyriërs en de Perzen, maar wie kent de Akkadiërs, Hyksos, Koesjieten, Garamanten, Nabateeërs, Arverni en Hephthalieten? Dat zal tegenvallen.

Gelukkig is er nu Vergeten volkeren van Philip Matyszak, docent geschiedenis aan de universiteit van Cambridge. Met dit rijk geïllustreerde boek heeft hij een prachtig monument opgericht voor veertig Euraziatische volkeren die tussen 2500 voor en 500 na Christus in de nevelen der tijd verdwenen zijn.

Aan het eind van ieder hoofdstuk denkt de lezer: wat sneu dat ze verdwenen zijn

Van ieder volk beschrijft Matyszak de ontstaansgeschiedenis en hun belangrijkste verworvenheden op politiek, militair en cultureel gebied. Onder het kopje ‘Echo’s van de toekomst’ brengt hij in kaart wat er van elke cultuur nu nog is terug te vinden. Zo’n opsomming loopt het gevaar saai te worden, maar Matyszak, die eerder toegankelijke boeken schreef over het dagelijkse leven in het oude Griekenland en Rome, ontwijkt die valkuil moeiteloos. Hij beschrijft elk volk met humor en empathie. Aan het eind van ieder hoofdstuk denkt de lezer: wat sneu dat ze verdwenen zijn.

Plunderen

Want wat te denken van de Akkadiërs, die rond 2300 voor Christus (de Jamna hadden toen net Europa onder de voet gelopen) het eerste wereldrijk stichtten rond de Eufraat en de Tigris? Of van de Hyksos, een woest Kanaänitisch volk dat beschikte over strijdwagens en tweehonderd jaar lang de scepter zwaaide over het machtige Egypte? En van de Lydiërs, het Anatolische volk van de steenrijke koning Croesus dat rond 500 voor Christus het muntgeld uitvond?

In zijn beschrijvingen laat Matyszak zien dat de vergeten volkeren een moeizame omgang hadden met de dominante culturen van het moment. Zo waren de Sarmaten, Daciërs en Alanen – allen ruitervolken afkomstig van die permanente bron van ellende: de Euraziatische steppe – constant in gevecht met de Romeinen. Ze plunderden het rijk van de caesars als het maar even kon.

De Romeinen op hun beurt probeerden deze gewapende migranten te pacificeren en binnen het rijk te trekken. Dat lukte, totdat Rome intern dermate verzwakt geraakt was dat het door de Visigoten, Ostrogoten, Vandalen en Alemannen onder de voet kon worden gelopen. In de jaren hierna verdwenen de inkomende migranten – en niet de ontvangende partij – in de bevolking.

Matyszak komt aan het eind van zijn boek tot een ontnuchterende overpeinzing. Al lezend is het ‘bijna onmogelijk niet aan je eigen ‘‘stam” te denken, en je af te vragen wat de toekomst in petto heeft.’ Hij vervolgt: onze nazaten van over een paar generaties zullen ‘op ons terugkijken als verre vreemdelingen. De volkeren en gebeurtenissen die nu ons blikveld vullen, zullen dan niet meer zijn dan voetnoten in obscure teksten.’

Sterk vs. zwak

Krause en Trappe zitten met een soortgelijke conclusie in hun maag. In de archeologie – en met name in Duitsland – was het na de Tweede Wereldoorlog volstrekt uit den boze om te suggereren dat sterkere volkeren zwakkere volkeren hadden verdreven. Het duo was aan zijn boek begonnen tijdens de vluchtelingencrisis van 2015, met de opzet om aan te tonen dat migratie van alle tijden is: dé Europeaan bestaat niet.

De stele waarop Naram-Sin, de koning van het Akkadische rijk tot 2219 voor Christus, zijn grootse daden liet vastleggen. Hollandse Hoogte/ANP

Dat klopt natuurlijk, maar Krauses genetische analyses leiden onvermijdelijk ook tot een andere conclusie: culturele veranderingen in Europa gingen tussen 40.000 en 4.500 jaar geleden ook gepaard met mutaties in de dna-signatuur van de bevolking. Het ging hierbij natuurlijk niet om het soort biologische verschillen zoals de nazi’s die vermoedden, maar wel degelijk om een opvallende breuk in de geschiedenis.

Handenwringend schrijven Krause en Trappe dan ook: ‘We zijn ons ervan bewust dat dit boek zowel argumenten biedt aan degenen die open tegenover migratie staan als degenen die er strikte grenzen aan willen stellen.’ De auteurs laten er geen twijfel over bestaan aan welke kant ze zelf staan: ‘Migranten hebben zonder enige twijfel een duidelijk waarneembare invloed op Europa uitgeoefend, en de daarmee gepaard gaande veranderingen hebben ongetwijfeld veel leed veroorzaakt’, maar het succesverhaal van ons continent ‘was zonder menselijke migratie en mobiliteit onmogelijk geweest.’

Aboriginals

Het is waar dat elke golf migranten nieuwe technieken en dynamiek meebracht en dat Europa daardoor vooruit gekomen is. Tegen de tijd dat rond 1500 de Europeanen zelf aan het migreren sloegen, hadden ze een fikse voorsprong op veel van de volkeren die ze ontmoetten. Zo bezien zijn de Anatolische boeren, maar ook de Sabijnen, Galaten en Keltibiriërs geofferd op het altaar van de vooruitgang. Dat is mooi voor ons, maar als je hen eeuwen geleden gevraagd had of ze zich daarvoor zouden willen laten uitvlakken, was het antwoord waarschijnlijk toch ‘nee’ geweest.

Het lot van de Native Americans en Australische Aboriginals, slachtoffers van de Europese expansie, wordt tegenwoordig alom betreurd. Misschien verdienen de veertig vergeten volkeren van Matyszak hetzelfde leedwezen. Of misschien is het onzin om op deze manier over geschiedenis na te denken? Hoe dan ook, laten we hopen dat als onze cultuur over een paar eeuwen verdwenen is, er een chroniqueur opstaat die onze wederwaardigheden met evenveel liefde beschrijft.