Toen de Normandiërs kwamen, gingen de Engelsen varken eten

Archeologie De Normandiërs maakten vanaf 1066 varkensvlees populair, maar verder veranderde de Engelse keuken nauwelijks.

Fragment uit het tapijt van Bayeux, een borduurwerk waarop de slag bij Hastings van 1066 staat afgebeeld. Op dit fragment staat het eerste banket dat hertog Willem van Normandië in Engeland hield.
Fragment uit het tapijt van Bayeux, een borduurwerk waarop de slag bij Hastings van 1066 staat afgebeeld. Op dit fragment staat het eerste banket dat hertog Willem van Normandië in Engeland hield. Foto Myrabella (CC0 1.0)

Er is één jaartal dat iedere Britse scholier kent: 1066. In dat jaar kwam hertog Willem van Normandië naar Engeland, versloeg hij bij Hastings het Angelsaksische leger en kroonde hij zich in Londen tot koning. In de decennia hierna onderging de Engelse maatschappij een radicale verandering. De elite nam, voor zover ze niet vervangen werd, de Normandische cultuur over – ook op culinair gebied. Koeien en andere grazers werden minder populair, kippen, wilde zwijnen en varkens stonden vaker op het menu.

Over de uitwerking van de machtswisseling op het dieet van de rest van de bevolking was tot op heden weinig bekend, maar archeologen van de Universiteit van Sheffield brengen daar nu verandering in. Wat blijkt: ook de gewone man en vrouw gingen vanaf het einde van de elfde eeuw meer varkensvlees eten. Ze hielden de dieren daarvoor dichter bij huis. De onderzoekers publiceerden hun resultaten deze week in PLOS ONE.

Ondervoeding of eenzijdig dieet

Ze gebruikten voor hun analyse materiaal dat is aangetroffen op een dozijn archeologische vindplaatsen in en om Oxford. Deze restanten van mensen, dieren en kookgerei stammen uit de periode van de tiende tot de dertiende eeuw na Christus. In totaal onderzochten ze 42 keramische objecten op achtergebleven organisch residu, stelden ze van zestig dieren met behulp van isotopenanalyse het voedingspatroon vast en deden hetzelfde bij 47 mensen. Van nog eens 235 mensen onderzochten ze het skelet op typische vervormingen die met ondervoeding of een eenzijdig dieet te maken hebben.

De meeste kookpotten waren gebruikt om rund-, lams- of geitenvlees in te bereiden. Vanaf het eind van de elfde eeuw duiken er echter ook vetten op die afkomstig zijn van varkens en kippen. Bladgroente bleef gedurende de hele periode populair. Restanten van melkproducten troffen de onderzoekers alleen aan in kannen van voor 1066, maar daaraan willen ze geen vergaande conclusies verbinden. Ze vinden het aantal onderzochte objecten daardoor te klein.

Vóór 1066 aten de varkens in Oxford alleen plantaardig materiaal

Via voedsel en water belanden de elementen zuurstof en strontium in botten en het gebit bij mensen en dieren. Elk gebied heeft zijn eigen kenmerkende ‘handtekening’ wat betreft de aanwezigheid van deze stoffen in de natuur. Isotopenonderzoek aan de botresten van de Oxfordse varkens liet zien dat de exemplaren die vóór 1066 in genuttigd werden herbivoren waren, zij aten planten. De latere botresten laten zien dat de varkens dan omnivoren zijn geworden. Het zou kunnen, schrijven de onderzoekers, dat ze inmiddels in de stad gehouden werden en daar als voeding vuilnis kregen met dierlijke resten erin.

Isotopenonderzoek aan menselijke botten uit Oxford laat zien dat de voeding tussen de tiende een dertiende eeuw homogener van geografische herkomst werd. Een toenemende verstedelijking en een beter marktsysteem leidden volgens de onderzoekers mogelijk tot een meer geplande voedselvoorziening, waarbij het achterland van Oxford gericht werd ingezet om de stad van voedsel te voorzien.

Hammetjes en lamsboutjes

De ontwikkeling van de onderzochte botten, ten slotte, laat zien dat er rondom de Normandische verovering van Engeland enkele periodes van voedselschaarste waren, maar dat die niet lang aanhielden. De Normandische verbeteringen aan het voedselproductiesysteem die volgden op 1066 leidden hierna overigens niet tot een duidelijk gezondere en beter groeiende bevolking.

Er lijken in Oxford verschillen in kookcultuur te hebben bestaan tussen diverse etnische groepen. De kookpotten van de Saksen die in het centrum woonden, bevatten verbrandingsproducten die alleen ontstaan bij verhitting boven de 300 graden Celsius. Aan de rand van de stad woonden migranten afkomstig uit de Danelaw, het noordelijke gebied dat tot het midden van de tiende eeuw onder controle stond van de Vikingen. Deze nieuwkomers kookten op lagere temperaturen, zo blijkt uit de aardewerkrestanten die in hun wijk zijn aangetroffen.

De archeologen werden verrast door sommige details van hun onderzoek. Zo bleken de monastieke bewoners van de gemeenschap rond Christ Church weinig vis te hebben gegeten, terwijl van hen juist verwacht mocht worden dat zij vanwege het religieuze verbod op vleesconsumptie op veel dagen juist méér vis zouden hebben gegeten. De monniken konden hun hammetjes en lamsboutjes kennelijk maar moeilijk laten staan.