Opinie

'Mijn lijf is een vriendelijk sprookjeskasteel waarin het onmogelijk spookt'

Ellen Deckwitz

Er zijn maar weinig momenten waarop je je zo eenzaam voelt als vlak voor een inwendig onderzoek. Alle sterktewensen ter wereld helpen niets tegen de zorgen die al ontkiemen en vertakken in de wachtkamer. Gisterochtend was het weer zover en belde ik uit nervositeit een vriendin (die ook nog eens huisarts in ruste is) om mezelf af te leiden.

„Het zal reuze meevallen”, jubelde ze. „Het is een standaardprocedure, wat ze doen is dat ze met het speculum...” – en toen smeekte ik of we het over iets anders konden hebben.

„Natuurlijk!”, zei ze, „maar nog even dit: vlak voor mijn pensioen begon het me op te vallen dat de moderne mens zijn lichaam niet meer als een tempel ziet, als iets dat geëerbiedigd moet worden, maar als een offerplek waar je gezondheid afdwingt. Een altaar waar al die fitboys kippen op offeren in ruil voor dikke spieren, waar de zieken dagelijks de ene na de andere kurkuma-smoothie plengen in de hoop op extra tijd. De moderne mens ziet zijn lijf niet meer als iets om te bedanken of te aanbidden, maar als iets waarmee je dealtjes kan sluiten.”

Ze zuchtte even.

„Vroeger vreesden mensen hun lichamelijkheid, tegenwoordig zijn ze er vooral boos op. Dat het niet mooi genoeg, gestroomlijnd genoeg of gezond genoeg is. Terwijl het lijf natuurlijk ook maar een mysterie is, zelfs voor de wetenschap. Van onze lymfeklieren hebben we bijvoorbeeld geen idee hoe het nou...”

„ZULLEN WE HET EVEN NIET OVER LYMFEKLIEREN HEBBEN?”

Waarop ze doorging over haar nieuwe droogshampoo. Ondertussen dacht ik aan hoe boos sommige vrienden op hun lichaam zijn, hoe ze ervan walgen. Ik ben juist doodsbang voor het mijne. Hoe het vervalt, er ziektes in kunnen ontluiken waarvan je nog nooit had gehoord. Hoe je met de jaren steeds meer tijd doorbrengt in wachtkamers. Ook al leef ik verantwoord en sleutel ik via vaccinaties, antibiotica en fluortabletten regelmatig aan mijn gezondheid, toch is er maar zoveel wat je kan doen. Alle voorzorgsmaatregelen ten spijt blijft je lijf ook een donkere kamer waarvan zelfs de kenners soms geen idee hebben wat er zich afspeelt.

De assistent riep me, ik zei mijn vriendin gedag en wandelde als een veroordeelde naar binnen. Op de behandeltafel lag een verse strook papier klaar, op het tafeltje blonken de instrumenten. Mijn lijf, dacht ik, is een vriendelijk sprookjeskasteel waarin het onmogelijk spookt. Alles komt goed, zei ik tegen mezelf, terwijl de glimlach van de dokter achter een mondkap verdween en het gordijn werd dichtgetrokken.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.