Leven en dood op een lapje poldergrond

Natuur Sommigen zien de coronacrisis als wraak van de natuur. Mariët Meester ging de polder in en trok een andere conclusie. „Het heelal mag dan onverschillig zijn, de mens is dat niet.”

Illustratie Getty Images, bewerking NRC

Een eend peddelde voorbij met wel vijftien jongen om zich heen. Even later klauterde het hele gezelschap tegen de slootkant omhoog en waggelde door het gras. Toen de moeder haar vleugels beschermend spreidde, bleek eronder te weinig ruimte voor iedereen te zijn.

Het was begin april, heel Nederland zat opgesloten. Ook ik had geprobeerd me aan de maatregelen te houden die het coronavirus moesten indammen, ook ik deed aan social distancing. Dat viel in Amsterdam nog niet mee. In het centrum mocht het dan rustig zijn, in het park, in de supermarkt, op de trap die mijn man en ik delen met anderen, pal naast de werkkamer waarvan ik de stilte altijd heb gekoesterd; overal waren mensen, heel veel mensen.

Hoewel het er eigenlijk ’s nachts nog te koud voor was, besloten we abrupt te verkassen naar ons andere adres, een woonwagen op vijfentwintig kilometer van de stad. En zo werd mijn leefwereld van het ene op het andere moment een lapje poldergrond van 150 vierkante meter naast een boerensloot met een weiland erachter.

De eendjes schotelden me vertederende taferelen voor. In normale tijden kan ik alleen in het weekend naar ze kijken, ik prees me gelukkig met deze kans. Halverwege april zag ik ineens nog maar één van de vijftien drijvende donsbolletjes. Misschien was het de voorzichtigste, misschien had hij geleerd van traumatische gebeurtenissen; dit dier verwijderde zich in elk geval nooit verder dan twintig, dertig centimeter van de moeder. Ik zag voor me hoe zijn broertjes en zusjes waren aangevallen door de een of andere duivel die ze gulzig had verslonden.

De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard observeert in Pilgrim at Tinker Creek (1974), ooit een van mijn favoriete boeken, een jaar lang de natuur rond haar woning. Het woordgebruik is gecompliceerd, dus nu het in het Nederlands is vertaald heb ik het meteen gekocht en herlezen. Pelgrim langs Tinker Creek blijkt nog indringender te zijn dan ik me herinnerde. De observaties van de schrijfster bestaan uit één groot spektakel van eten en gegeten worden. In de sleutelscène, waar ze telkens op terugkomt, bestudeert ze een kikkertje dat half onder water zit. Tot haar verbazing ziet ze het kleiner en kleiner worden, totdat er alleen nog een leeg kikkervel is overgebleven dat uiteindelijk zinkt. Een reuzenwaterwants heeft toegeslagen, een beest dat gif in een ander schepsel spuit opdat diens botten, spieren en organen veranderen in een vloeibare massa die opgeslobberd kan worden.

Met het ene achtergebleven eendje is het ook niet goed afgelopen. Op 22 april, ik heb het genoteerd, zat ik aan de slootrand een boterham te eten en keek genoeglijk over het weiland uit. Nadat ik achter het riet gespetter had gehoord, vloog er een reiger op met een ding in de snavel dat afstak tegen de helderblauwe lucht. Al wilde ik het eerst niet geloven, aan het ding zaten toch echt vleugeltjes en zwemvliespootjes. Terwijl de moeder hevig kwakend door de sloot joeg, haar verenpak opgezet, daalde de reiger neer en liet een bobbel door zijn keel glijden.

Aan een boek van filosoof Henk de Weerd, dat ik net als het boek van Dillard jaren geleden las, heb ik de zinsnede ‘de onverschilligheid van het heelal’ overgehouden. Sinds ik in de polder verblijf komt hij telkens even in mijn hoofd terug. Spielerei (2000) is een verzameling korte beschouwingen die de nodige denkstof aanreiken. Als ik het in mijn eigen woorden samenvat, bedoelt de filosoof met ‘de onverschilligheid van het heelal’ dat alles om ons heen, laten we zeggen de natuur, geen bewuste keuzes maakt, en al helemaal geen morele. In feite zijn we als mensen omgeven door een poel van onverschilligheid. De natuur volgt alleen maar, de natuur doet wat ze gegeven de omstandigheden moet doen. Een reiger of een reuzenwaterwants wil gewoon eten wat hij hoort te eten. Welk nadeel een ander organisme daarvan ondervindt maakt hem geen bal uit, dergelijke begrippen hanteert hij helemaal niet. Alles wat hij doet, is onderdeel van iets dat je ‘orde’ zou kunnen noemen, de natuurlijke orde.

Op een dag, het was mei geworden, wilde ik uit ons tuintje, een klein grasveld omgeven door onkruid en struiken, een matbruin stuk hout oppakken dat ik nog niet eerder had zien liggen. Ik had haast, dus ik bukte snel en stak mijn hand uit om het een eind verder te gooien. Nog net op tijd zag ik oogjes, ik zag scharen die agressief naar me werden opgeheven. Ik zal niet ontkennen dat ik gilde. Er zat een kreeft in onze tuin, een bruine kreeft! Van kop tot kont, de uitsteeksels niet meegerekend, was hij zo’n vijftien centimeter lang. Nadat hij dreigend op de achterpoten was gaan staan, besloot hij in de richting van de sloot te kachelen, de plek waar hij waarschijnlijk ook vandaan was gekomen. Sinds Annie Dillard weer in mijn leven was sliep ik slecht, de confrontatie met dit creatuur zou het er niet beter op maken.

Illustratie Getty Images, bewerking NRC

Orde, dacht ik later. Gevolgen die nu eenmaal voortkomen uit oorzaken, onontkoombare wetmatigheden. Het heelal mag dan onverschillig zijn, de mens is dat niet. Wij zijn de enige ‘verschillige’ wezens op aarde, wij weten maar al te goed dat onze daden gevolgen kunnen hebben die nadelig zijn voor andere organismen. Er mag nu dan wel een kreeft in de sloot zitten, de laatste tijd heb ik er niet veel ander leven meer in kunnen ontdekken. De mens heeft keuzes gemaakt waardoor dit soort exoten tegenwoordig kunnen gedijen in de Nederlandse wateren. Als gevolg van vergelijkbare keuzes zitten er nu voor het tweede jaar vrijwel geen spinnen meer aan de dakgoten van onze woonwagen, het valt echt op. Over het aantal vlindersoorten dat deze zomer zal rondfladderen ben ik ook niet optimistisch, vorig jaar telden we er hoogstens drie.

Aan het begin van de coronacrisis, toen het virus dat ons bedreigt nog maar net was opgedoken, hoorde je nog wel eens iemand ‘nature strikes back’ zeggen. Als mensheid hebben we onze leefomgeving dermate uitgeput, dat we nu onze straf moeten incasseren. Iets dat onzichtbaar is pakt ons terug, een verleidelijke gedachte waarvoor ik zelf ook niet ongevoelig ben. Toch is het onzin, want wie zoiets zegt gaat er vanuit dat ook de natuur ‘verschillig’ is. Als dat zo zou zijn, had ze allang eerder wraak op ons genomen. Al decennia proppen we bijvoorbeeld hoogontwikkelde dieren als varkens in daglichtloze schuren, terwijl we best weten dat we ook kunnen kiezen voor plantaardig voedsel. Maar nee, wij doen het zo, wij ontnemen dieren hun natuurlijke neigingen. Als varkens met ons zouden kunnen praten, zouden ze ons overigens vertellen dat ze zich daar niet over verbazen; zij weten niet beter dan dat de sterkste en de slimste de baas speelt. Was het varken sterker en slimmer dan wij, dan zette hij ons achter slot en grendel en fokte ons op tot voer.

Laat ik zelf ook eens iets bijdragen aan mijn biotoop, dacht ik toen ik nog maar net van de stad naar onze woonwagen was verhuisd. Lathyrus ruikt zo lekker, wat zou ik die plant graag eens om me heen hebben. Een strook grond langs een hek leek geschikt, dus het onkruid – dat mooi bloeide – ging eruit. Er werd tuinaarde aangeschaft, er kwamen zaadjes.

Half mei verschenen de eerste puntjes lathyrus boven de grond, op onze hurken zaten we erboven. „Kijk eens, ze krijgen al oortjes!”, riep de een bij het ontdekken van rudimentaire blaadjes, waarop de ander reageerde met: „Nee joh, dat zijn hun handjes.” Hoe dan ook ging ik maar eens googelen naar de juiste manier van verzorging, waarna ik ontdekte dat er complete cursussen over lathyrus bestaan. Je moet ze al in februari voorzaaien in de kartonnetjes van closetrollen en ze afharden voor je ze buitenzet. Doe je dat niet op het juiste moment, dan zullen ze niet naar behoren bloeien.

Ook wij zijn ratten en reigers, ook wij zijn slakken en rivierkreeften

Ondanks de foute timing spanden we een fijnmazig net over onze kleine plantjes. Eind mei bleken er toch vier, inmiddels met armen als verkeersagentjes, dwars door het net heen te zijn afgeknabbeld, wat het werk van grote vogels moest zijn. We verhoogden het net en knipten stroken van aluminiumfolie die ik als franje bevestigde aan in de grond gestoken stokjes.

De vogelverschrikkers hielpen. Totdat er begin juni na lange tijd weer regen viel en het aantal lathyrusplantjes verminderde. Toen ik een verdacht kronkelspoor ontwaarde, begreep ik dat er wederom ingegrepen moest worden: we togen naar de Aldi en kochten à 49 cent per halve liter bier voor slakkenvallen. Onmiddellijk nadat die klaar waren, het schemerde nog niet eens, verscheen er op een zandhoop achter het hek een lichtbruine rat, die onder het beschermingsnet doorkroop en pontificaal van het bier in een van de vallen ging zitten drinken. Pas daarna besefte hij dat hij onder een net zat, raakte met zijn dronken kop in paniek en kwam tussen de mazen vast te zitten.

Volgens de onlinecursus zouden onze lathyrusplanten op de langste dag op hun grootst moeten zijn, maar op 21 juni maten ze slechts dertig centimeter. Tenzij ik per ongeluk dwerglathyruszaad heb aangeschaft, vrees ik dat er de volgende keer toch closetrollen aan te pas moeten komen. Tot op de dag van vandaag vangen we ook nog steeds slakken, nauwelijks meer met Aldibier, meestal met de hand.

Lees ook: Als ziekten overspringen van dier naar mens

Het is best confronterend om deze processen van dichtbij mee te maken. Voortdurend realiseer ik me dat ik zelf ook natuur ben, dat ook mensen in de eerste plaats zijn gericht op hun eigen voortbestaan en dat van hun naaste familie, vooral op de korte termijn. Ook wij zijn ratten en reigers, ook wij zijn slakken en rivierkreeften.

De troost komt in mijn geval van de esthetiek, van het onverwachte. Het landschap is altijd mooi, in welk seizoen dan ook. Lig je er lekker vanuit een ligstoel over uit te kijken, komt er een mus op je schoen zitten of wipt er een winterkoninkje voorbij met een staart als de steel van een koekenpannetje. Kwikstaartjes dragen deftige kostuums en de moedereend wier laatste kind werd afgepakt, verleidde de volgende dag alweer een knappe woerd. Zelfs de dood kan een zekere schoonheid in zich dragen. Op een ochtend lag er een bebloed karkas in de tuin met een keurige cirkel van grijze veren en veertjes eromheen. Een roofvogel had een houtduif te pakken genomen. Kop opvreten, lijf uitvreten, wegwezen. Een dag later was het karkas al weggesleept door een ander dier, de veren werden afgevoerd door de mussen. Na een week was er niets meer van het drama te zien.

Lees ook: Hoe je in een druk natuurgebied toch de rust kunt vinden

In Spielerei schrijft Henk de Weerd dat we als mens de natuur in ons voordeel mogen inzetten. „De natuur laat ons daarvoor de ruimte, onze verschilligheid geeft ons de motivatie om deze ruimte te benutten.” Impliciet bedoelt de filosoof daarmee ook dat we nogal wat verantwoordelijkheid dragen. Uit onze verschilligheid hoort een drang naar rechtvaardigheid voort te komen, de mens heeft immers de capaciteit gekregen om daarnaar te streven. Dat moeten we dan ook voortdurend blijven proberen. „De natuur is voor de mens als soort en als individu het grotere geheel waaruit hij voortkomt”, stelt De Weerd, „maar ook de grote onverschillige waartegen hij moet strijden. Dat is de situatie waarin wij leven en waaraan niets te veranderen is. Wij kunnen niet terug.”