Stephan Vanfleteren

Foto Yto Vanfleteren

Interview

‘Nog nooit heb ik zo’n hyperconcentratie meegemaakt als tijdens de coronacrisis’

Stephan Vanfleteren Toen hij door de coronacrisis als fotograaf niets meer te doen had, begon hij tijdens lange wandelingen de pandemie te overdenken. Het resulteerde in een dagboek, zonder foto’s, waarin hij „iets wil laten zien wat er niet is.”

‘Er komt een meeuw raar aanvliegen. Ik kijk en tik dan op mijn telefoon: ‘meeuw vliegt raar’. Die meeuw, in tegenlicht eerst zwart, dan grijs en dan wit omdat het licht verandert – als ik er de volgende dag over schrijf is het beeld in mijn hoofd volkomen fris, kraakhelder. Nog nooit heb ik zo’n hyperconcentratie meegemaakt als tijdens de coronacrisis. Geen telefoon, geen e-mail, de wereld was tot stilstand gekomen.”

Op 14 maart sloot Fotomuseum Antwerpen (FoMu) de deuren. De foto’s op de grote overzichtstentoonstelling van Stephan Vanfleteren (1969), neerslag van 30 jaar fotograferen, zouden voor onbepaalde tijd in het donker hangen. De agenda van de fotograaf was leeg. En hij besloot te gaan wandelen, in het West-Vlaamse kustgebied tussen Oostende en de Franse grens, waar hij woont – elke dag, aan het eind van de dag. Aanvankelijk was het vooral om iets te doen te hebben, maar de aantekeningen die hij maakte groeiden uit tot een dagboek waarin hij de pandemie overdenkt, een storm die hemzelf rust brengt. ‘Zijn het de doden, is het de lockdown, die tot nu toe – ik durf het bijna niet te schrijven – als een geschenk uit de hemel is gevallen?’ schrijft hij. ‘Ik leef altijd in oranje modus en ga vaak in het rood, maar nu was het dieprood. Rood werd groen. Corona heeft me gered.’

Zevenenzeventig wandelingen maakte Vanfleteren. Vergezeld door zijn hond. En met een camera, maar nu eens zonder de druk om te produceren; niemand verwachtte meer iets en hijzelf ook niet. De schemering – ‘deemstering’, ‘valavond’, zegt hij zelf – is het andere onderwerp van zijn dagboek: het licht dat sterft, langzaam of snel, dat de kleur uit het land en de zee trekt, en zijn pogingen dat laatste licht te vangen. Hij maakt duizenden foto’s, maar in Dagboek van een fotograaf staat er niet één. Of toch, vele – in woorden.

„Nee, er kómt geen fotoboek”, zei hij tegen iedereen die hem ernaar vroeg. Present, de kloeke band bij zijn oeuvretentoonstelling, was nog maar pas uit. Maar het was óók om zichzelf op de proef te stellen, vertelt hij in een Antwerps café. Durfde hij, de dyslectische fotograaf, zich uit te leveren aan het medium van de taal alleen?

„Het was een provocatie, het uitlokken van de frustratie die ik altijd met het woord heb geassocieerd. Ik heb als kind mijn boeken letterlijk tegen de muur gegooid, ik voelde mij een halve blinde die zó graag wilde zien.”

Die dyslexie is er nog steeds. „Als ik een nieuw woord lees of een woord herbekijk, denk ik vaak: wat een vreemd woord. En het associëren in mijn hoofd, soms moet ik me intemperen, zodat ik me niet verlies in een vuurwerk van beelden. Als ik moe ben, schrijf ik nog wel zinnen die krom staan. Toch is het pas sedert een jaar of tien dat ik taal niet meer alleen als vijand zie.”

Corona walk Stephan Vanfleteren

Hij schreef al eerder teksten, bij Atlantik Wall bijvoorbeeld, zijn fotoproject uit 2014 over Duitse bunkers van Narvik tot Biarritz, en in Present – „de paralympische spelen voor mijn taalspier” – en toch noemt hij het „een rare gedachte, ja ongelofelijk dat een gerespecteerde uitgeverij een boek van mij uitgeeft, al is het dan een dagboek.”

Onbruikbaar licht

Tijdens zijn ‘coronawandelingen’ is ‘mooi’ iets anders gaan betekenen. „Als ik zeg ‘mooi licht’, denk ik: dit kan ik gebruiken om een goed portret of landschap te maken. Nu heb ik veel mooi licht gezien waarvan ik dacht: ik kan er niks mee, of het is een cliché, zoals een te mooie zonsondergang. Dan dacht ik: ik fotografeer het niet, maar het is wel geweldig om naar te kijken.”

‘Niemand ziet mijn nederlagen’, schrijft Vanfleteren ook. Hij lacht. „Als je mijn foto’s aan de muur hangt, zie je ze niet, maar ik weet dat ze er zijn – sommige foto’s of projecten die nooit goed genoeg waren om te tonen. Dat is het mooie van schrijven, dat je het kunt zeggen als je het niet kunt fotograferen. En alleen al door te schrijven dat iets mislukt, voegt dat iets interessants toe.”

Want het licht is niet alleen „een sparring partner en een vriend, maar ook een verrader”, zegt hij. „Hij spiegelt je soms iets moois voor dat niet komt.” Neem mist. ‘Mist en zee, het is een moeilijk huwelijk’, schrijft hij. ‘Mist werkt goed in straten en landschappen maar niet bij marines.’

Die frustratie zit diep. „Je ziet iets heel bijzonders gebeuren: opeens valt de overgang tussen het wateroppervlakte en de lucht weg. Dat wil ik grijpen, ooit, op een tweedimensionaal beeld vastleggen zodat iemand die het bekijkt het gevoel krijgt: ik sta ook op het strand en ik zie het. Ik heb er wel een paar interessante beelden van gemaakt, maar nooit de jackpot, om zo te zeggen. Daarom moet ik nog meer proberen, er nog meer uit-kijken, denk ik. Ik zou het vreselijk vinden als het me niet lukt dat enigma te decoderen.”

Vanfleteren werd beroemd met zijn onnavolgbaar intense portretten, merendeels in zwart-wit, van Vlaamse en Nederlandse schrijvers en acteurs. En van mensen die hij ontmoette tijdens zijn reizen in Azië en Afrika en voor zijn camera liet poseren, soms uren lang. Zo’n portret is ‘een combinatie van een oneindig aantal verschillende posities’, schrijft hij. In het Antwerpse café toont hij wat hij bedoelt.

„Ik leid jou naar het beeld dat ik zoek. Ik kan zeggen: beweeg je hoofd nu even zo, en uw hand, laat uw hand vallen, en zet uw bril ietsje rechter – dat is al een lottobiljet aan mogelijkheden. En er is een verschil tussen naar links kijken en een beetje naar links kijken en een héél klein beetje naar links kijken. Het is trial and error – doe je schouder maar terug want dat was mooier. Zo hoop je bij iets te geraken dat mooi is. Niet dat ik dat voordien in mijn hoofd heb, maar het is iets dat je onderweg aan het beeldhouwen bent. Sommige collega’s maken meerdere goede foto’s, ik maak liever één, meer bijzondere foto. Beter een wereldgoal met een prachtige omhaal dan zeven intikkertjes.”

Die instelling liet hij los tijdens het wandelen. „Ik heb mezelf veel ruimte gegeven om met pover materiaal naar huis te gaan”, zegt hij. „Ik heb de controle losgelaten en me niet ingehouden. Van een bepaalde straat met een ongelofelijk grote barst in het wegdek heb ik tientallen foto’s gemaakt, een eindje teruglopen en opnieuw. Als je een portret maakt kun je je dat niet permitteren, dat is gênant. Maar bij een kassei, of een boom of een riooldeksel kijkt er niemand op je vingers en denkt: heb je nu nog niet genoeg?”

Van al die foto’s tijdens zijn coronawandelingen zijn er nu vijftien toegevoegd aan zijn oeuvre-tentoonstelling in het onlangs heropende FoMu in Antwerpen. Het zijn dromerige, soms mysterieuze beelden – Vanfleteren fotografeerde zelfs bij maanlicht. En vele zijn onscherp – ‘Onscherpte is een onderschatte kwaliteit’, schrijft hij ergens. Is die onscherpte bestudeerd? „Er is altijd een verlangen geweest om met lichtgevoeliger film en steeds kortere sluitertijden te werken”, zegt hij. „Dat verlangen heeft het misverstand gecreëerd dat een foto scherp moet zijn. Maar een lijn hoeft ook niet recht te zijn omdat we nu eenmaal een meetlat hebben. Ik had best met mijn statief kunnen rondlopen, dan zou alles scherp kunnen zijn, maar ik wilde uit de losse pols werken. Wat onbeweeglijk lijkt, doe ik zo bewegen. Of ik trek de camera mee met een vogel of vleermuisje om ze scherp te krijgen. Wat snel is, bevries ik.”

Corona-walk Foto Stephan Vanfleteren

Je ziet hem zoeken. Om het wezen van een golf te vangen, bijvoorbeeld. Hij staat er urenlang in lieslaarzen voor in zee – „tot mijn ballen van de kou beginnen te jeuken.” Maar hij móet weten hoe koud het is. Die lopende golf, een grijze welving, onscherp, is het een baan zijde waar lucht onder wordt geblazen?

„Ik moet vaak denken aan Turner die zich liet vastbinden aan de mast van een schip om de storm van binnenuit te kunnen schilderen. Hij moet slingerziek en uitgeput zijn geweest. Dat herken ik. Als het na twee, drie uur wandelen te donker wordt, voel je de vermoeidheid of de honger pas. Ik geloof dat ik wel een romanticus ben die het lijden probeert te sublimeren. Ik wil niet sterven voor een beeld maar ik vind het wel aangenaam er een beetje voor af te zien. Dat zoek ik op.”

Onbekende wereld

Een fotograaf lijkt wel op een acteur die zich voor de duur van de voorstelling met iemand anders vereenzelvigt, zegt hij. Die dompelt zich ook onder in een onbekende wereld – die van surfers (voor zijn boek Surf Tribe), de stad Charleroi (waar hij in 2015 langere tijd verbleef), zijn bunkerreis. „Als fotograaf kun je zó intens voelen dat je zelf een surfer, een metaalarbeider, een Duitse soldaat denkt te zijn. En net als een acteur kun je zeggen: nu is het voorbij en ga ik weer iets anders spelen. Een taxichauffeur. Of een gigolo. Of een moordenaar. Misschien weet een acteur nog wel beter hoe het is om een moordenaar te zijn dan de echte moordenaar die zijn daad in een soort zinsverbijstering begaat of niet meer herinnert.”

Schoonheid of inzicht verder brengen dan je eigen ogen of brein is zijn ware drijfveer, schrijft hij. „Ik zou het heel jammer vinden als mijn werk gereduceerd zou worden tot mooie beelden. Poëzie kan iets oproepen dat begrijpelijk is hoewel het er niet staat. Het klinkt gek, maar dat probeer ik ook te doen: iets laten zien wat er niet is.”

En nu is dat boek er. Zonder foto’s. Een werk in taal. Hij zegt wat een wonderbaarlijk gevoel het is dat de ogen van Suzanne Holtzer, zijn redacteur, dezelfde strenge ogen zijn die naar de taal van Hugo Claus gekeken hebben. Hij kende Claus goed, heeft hem vaak gefotografeerd. „Je kunt niet begrijpen hoe belangrijk het is om een keer vertrouwen te krijgen over taal: een ijsvlakte die de jouwe niet is en waar je in het verleden alleen maar wakken en barsten hebt gezien en waarop je nu meer durft te schaatsen. En dat er iemand roept: daar niet, en nu doorschaatsten, niet achterom kijken.”