Opinie

Na dat auto-ongeluk loopt ze de rest van haar leven rond met een groot litteken

Michel Krielaars

Meteen snelde ik vorige week woensdag naar de Texelse boekhandel Nauta om de roman Uit het leven van een hond van de kersverse Librisprijswinnaar Sander Kollaard te kopen. Nog diezelfde middag las ik het met veel genoegen. Niet zozeer sprak de door de jury opgemerkte levenslust me erin aan, maar wel de melancholie. Inmiddels heb ik ook Kollaards roman Stadium IV gelezen, waarin die melancholie nog meer aanwezig is, en zie ik uit naar zijn twee verhalenbundels, die ik bij de boekhandel heb besteld. U ziet, ik ben Kollaard aan het binge-lezen.

Uit het leven van een hond raakte me ook door alle verwijzingen die ik erin tegenkwam, zoals de slotzinnen van Theo Thijssens Kees de jongen (‘En de mensen die hem voorbijgingen, wisten niet dat daar een jongen ging, die álles zou kunnen, nu hij eenmaal begonnen was…’), de citaten van Groucho Marx (‘I intend to live forever or die trying’) en Friedrich Nietzsche (‘want al vroeg wordt het kind uit zijn vergetelheid wakker geschud als het de woorden “er was” leert begrijpen’), de muziek die zijn hond vrolijk maakt (Beethovens Für Elise, Mahlers Kindertotenlieder en het liedje Una paloma blanca van de George Baker Selection – waarvan de melodie nog altijd door mijn hoofd dreunt).

In Kollaards Stadium IV, dat over een stervende vrouw gaat, kwam ik opnieuw zoveel bekends tegen (versregels van Wyslawa Szymborska, de Apollo 8, Selma Lagerlöfs Nils Holgersson, Ingmar Bergmans Sommeren med Monika, de Thunderbirds), dat ik ineens besefte hoe fijn het associatieve lezen is.

Omgekeerd bracht de muziek van Carlos Saura’s speelfilm Cria Cuervos, die ik me vanochtend ineens herinnerde, me bij de onlangs verschenen novelle Kleine handen van de Spaanse schrijver Andrés Barba (1975). Het is een literair juweeltje, dat je keer op keer kunt herlezen om er steeds iets nieuws in te ontdekken. In sommige opzichten deed het me zelfs aan Kollaards boeken denken, niet alleen omdat het over de dood en de kracht van het (over)leven gaat, maar ook omdat Barba net als hij laat zien dat alleen woorden, zoals Barba schrijft, ‘bij machte waren vast te stellen wat niet kon worden vastgesteld, of liever, alsof alleen die woorden – zo binnen handbereik, zo makkelijk te vatten – zich aandienden om wat op geen enkele manier kon worden waargenomen toegankelijk te maken.’

Kleine handen is het verhaal van de 7-jarige Marina, wier ouders bij een auto-ongeluk om het leven zijn gekomen. Zelf is ze zwaargewond geraakt en moet ze de rest van haar leven met een groot litteken op haar schouder rondlopen. In het ziekenhuis heeft ze van een psychologe een pop gekregen, die ze tot haar alter ego doopt en die ze daarom haar eigen naam geeft, ‘Want de pop was de enige die niet loog.’

Marina belandt in een meisjesweeshuis, waar ze haar plaats moet bevechten, ook omdat ze door dat grote litteken anders is dan de overige meisjes, die daardoor bang voor haar zijn. Het litteken van Marina staat immers voor sterfelijkheid, iets waar ze zich niet eerder bewust van zijn geweest. Als hun onderlinge verhouding op een sinister machtsspel uitloopt komen daarbij als spoken de woorden om de hoek kijken, waarmee het onzegbare gezegd moet worden. Of niet. De angst van de meisjes krijgt daardoor iets magisch. Net als in Cria Cuervos. En precies dat deed me aan dat filmdeuntje denken.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.