De niet geleerde lessen van ‘Srebrenica’

25 jaar Srebrenica De Tweede Kamer werd slecht geïnformeerd over de gevolgen van de Nederlandse luchtaanval op de Iraakse stad Hawija. Juist het verbeteren van die informatiepositie was een belangrijke les na ‘Srebrenica’.

Oud-premier Wim Kok (PvdA) in gedachten verzonken, na zijn bezoek in 2002 aan een mortuarium in Tuzla, waar slachtoffers van Srebrenica liggen.
Oud-premier Wim Kok (PvdA) in gedachten verzonken, na zijn bezoek in 2002 aan een mortuarium in Tuzla, waar slachtoffers van Srebrenica liggen. Foto Robin Utrecht/ANP

Vijfentwintig jaar na de val van Srebrenica woedt er nog altijd een strijd om de waarheid – of nauwkeuriger: de waarheid in het debat over de schuldvraag. Daar heeft zelfs het misschien wel dikste onderzoeksrapport ooit, van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) van ruim 3.300 pagina’s, niets aan kunnen veranderen. Wist het uitgedunde bataljon van Nederlandse blauwhelmen in Srebrenica dat zich een genocide voltrok – en grepen de militairen niet in, terwijl ze dat wel konden? Of was de val van de enclave onvermijdelijk – en kon Dutchbat niet anders dan lijdzaam toezien?

Het eenduidige antwoord is nooit gegeven. Er blijken vele waarheden te bestaan; in de jaren negentig had Defensie nog geen ‘dagboekschrijver’ mee op missie, om dagelijks vast te leggen wat er gebeurt en welke beslissingen worden genomen. Dat is een van de lessen van Srebrenica: nauwkeurig documenteren wat er gebeurt, op het moment dát het gebeurt.

Politiek nam het tweede kabinet-Kok zijn verantwoordelijkheid door in 2002 op te stappen op basis van het NIOD-rapport, al bleven ook daarin cruciale vragen onbeantwoord. Juridisch is het woord van de rechter leidend. Ook de Hoge Raad oordeelde vorig jaar na een slepende juridische procedure dat de Nederlandse staat inderdaad „gedeeltelijk verantwoordelijk” kan worden gesteld voor de dood van 350 mannen die zich nog bevonden op de Nederlandse compound op het moment dat andere moslimmannen al waren afgevoerd.

Heeft Nederland iets geleerd van ‘Srebrenica’?

Die vraag werd dit jaar weer actueel, nadat gebleken was dat een Nederlandse luchtaanval op de Iraakse stad Hawija in 2015 zeker zeventig burgers doodde. Vier keer werd minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) ervoor naar de Tweede Kamer geroepen. Waarom was informatie over de gevolgen van deze aanval niet eerder met het parlement gedeeld?

In de debatten werd een nog fundamenteler vraag opgeworpen: krijgen volksvertegenwoordigers wel alle informatie die zij nodig hebben als het gaat om oorlogvoering om de regering goed te kunnen controleren?

Slechte informatiepositie

Een belangrijke les na deelname aan de VN-missie in Bosnië was dat de informatiepositie van het parlement tijdens Srebrenica bijzonder slecht was. Belangrijke informatie over wat zich afspeelde in oorlogsgebied werd níet gedeeld met de Tweede Kamer. „En ook niet met de eigen minister”, zegt Bert Kreemers, die tijdens de missie woordvoerder was van de toenmalige minister van Defensie Joris Voorhoeve (VVD). „De top van de landmacht hield informatie achter”, zegt Kreemers, die in 2002 het boek ‘De achterkant van de maan’ schreef over die episode. „Soms kwam ik er via een journalist achter wat er speelde en moest ik dat vervolgens zelf aan de minister vertellen.”

Ook militairen zagen de Haagse gewenste werkelijkheid versus de bittere praktijk in het veld. „We barstten in lachen uit als we de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Hans van Mierlo, op tv zagen”, zegt Anne Mulder, Dutchbat-veteraan en sinds 2010 Tweede Kamerlid voor de VVD. „Die man had werkelijk geen idee hoe de situatie was in Srebrenica, waar de toevoerlijnen van voedsel al maanden werden afgeknepen.”

Lees ook: De Nederlandse ‘precisiebom’ op een wapendepot van IS

Het leidde ertoe dat de positie van het parlement tegenover de regering bij militaire uitzendingen werd versterkt en zelfs werd opgenomen in de Grondwet, een voornemen dat stamde uit 1994. De regering informeert de Kamer sinds 2000 gedetailleerd over een voorgenomen militaire uitzending aan de hand van een ‘toetsingskader’, een lijst met aandachtspunten variërend van ‘gronden voor deelname’ tot ‘gender’, en houdt het parlement ook tussentijds op de hoogte over het verloop.

Toch heeft dat de controleerbaarheid voor de Tweede Kamer niet per se verbeterd: over de burgerdoden die vielen tijdens de luchtaanval op Hawija kreeg het parlement niet alle informatie. Sterker: de Nederlandse betrokkenheid werd onthuld door NRC en NOS, journalisten peuterden cruciale informatie los bij de Amerikaanse overheid, die de Nederlandse minister zelf niet naar de Kamer kon sturen, omdat het ‘geclassificeerd’ was.

Bij de missie naar het Afghaanse Kunduz, die Nederland tussen 2011 en 2013 uitvoerde, bleek achteraf dat er niet „transparant” werd gerapporteerd, omdat betrokkenen „druk voelden” om „een positief beeld te schetsen”.

Oud-premier Wim Kok tijdens een bezoek aan Srebrenica in 2002. Foto Robin Utrecht/ANP

‘We moeten iets doen’

Ook de mandaatstelling van militaire missies veranderde na Srebrenica. Voor de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in Bosnië was het de publieke en politieke opinie van ‘we moeten iets doen’, die bijdroeg aan het inzetten van de krijgsmacht zonder duidelijk omschreven opdracht. Dutchbat werd op missie gestuurd met „een zeer onhelder mandaat” naar een gebied om „vrede te handhaven waar geen vrede was”, concludeerde het NIOD in 2002.

Op papier is dat tegenwoordig beter geregeld. „We bekijken nu met de hele fractie heel duidelijk wat het doel is, welk mandaat er ligt”, zegt Anne Mulder. „Naar de bewapening en of er een duidelijke bevelstructuur is.”

Toch betekent dat niet dat daarmee alle risico’s zijn afgedekt. Integendeel, meent militair historicus Christ Klep, gepromoveerd op de nasleep van Srebrenica. Volgens hem heeft het vele onderhandelen tussen regering en parlement er juist toe geleid dat het parlement medeverantwoordelijk wordt gemaakt voor de voorwaarden van een missie en zo de regering minder goed kan controleren. Dat werd onder andere zichtbaar toen Nederland zich in 2003 aansloot bij de oorlog in Irak op grond van een volkenrechtelijk mandaat dat naar het oordeel van een commissie achteraf „niet adequaat” was.

Klep: „Hoe geloofwaardig is je kritiek als parlementariër achteraf als je er zelf mee instemt?”

Blijkbaar vindt Defensie het moeilijk te zeggen ‘kan niet’

Anne Mulder Dutchbat-veteraan en VVD-Kamerlid

Dat er van oudsher een groot wantrouwen bestaat tussen Defensie en de politiek helpt niet. „Militairen hebben het gevoel dat de politieke leiding niet begrijpt wat ze doen en ook bewust afstand van ze houdt. En dat maakt ze boos”, zegt Klep. „Zij vinden vaak dat ze het operationeel prima doen en willen niet zomaar de schuld krijgen als er iets fout gaat.” Dat werkt transparantie en politieke verantwoording niet in de hand.

De militaire ‘can do-mentaliteit’ die daarachter zit, wordt geroemd als het gaat om het snelle improvisatievermogen van militairen in het veld, maar verguisd als de morele aspecten van oorlogvoering ter sprake komen. „Bij Srebrenica leidde dat ertoe dat een generaal, zonder dat hij de enclave had bezocht, meldde dat de missie uitvoerbaar was”, zegt Tweede Kamerlid Mulder, die zich op dit terrein voorzichtig uitspreekt – hij voert niet officieel het woord over het onderwerp. „Recent had het tot gevolg dat de militaire top zei dat er een fregat naar de Straat van Hormuz kon, zonder te melden dat er iets mis was met de aandrijving van het schip. Dat moet de Kamer dan later horen. Blijkbaar vindt Defensie het moeilijk te zeggen ‘kan niet’.”

Verkocht als humanitaire missie

In de beeldvorming nu ligt de Nederlandse focus vooral op wat er op het laatste moment misging in Srebrenica. Naar de achterliggende structuren wordt te weinig gekeken, volgens Erna Rijsdijk, die promoveerde op Srebrenica en is verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie. „Lang voordat Nederland militairen uitzond, lagen er al rapporten van de VN over een dreigende genocide”, zegt ze. „De missie van Dutchbat werd aan en door Nederland verkocht als een humanitaire missie. Maar als je er niet heen gaat met het idee dat je een genocide aan het voorkomen bent, kun je dat niet doen.”

Kijk ook: Kamerdebat over Nederlandse blauwhelmen nagespeeld

Het is een niet geleerde les, zegt Rijsdijk, die deels ook geldt voor de oorlog die Nederland mede voerde in Syrië en Irak als onderdeel van de internationale coalitie tegen IS. „We waren in oorlog met IS, maar er werd nauwelijks over geschreven in de media, terwijl er in bepaalde periodes dagelijks werd gebombardeerd door Nederlandse F-16’s.” Hawija was één van die bombardementen.

Ze wil maar zeggen: de belangstelling voor de oorlogen die Nederland voert, is niet groot, totdat er een ‘calamiteit’ plaatsvindt.

Onwetendheid kan ook strategisch zijn, om (politieke) verantwoordelijkheid te vermijden. Hoeveel willen we er eigenlijk van weten?

Oud-premier Wim Kok spreekt met bewoners van Srebrenica tijdens een bezoek in 2002.
Foto Robin Utrecht/ANP

Oud-premier Wim Kok Zwarte bladzijden in een nooit gesloten boek

„Het zijn zwarte bladzijden in een boek dat in zekere zin nooit dichtgaat”, sprak minister-president Wim Kok (PvdA) op 16 april 2002 in de Tweede Kamer aan het slot van een verklaring waarin hij het aftreden van zijn kabinet aankondigde. Daarmee nam de man, die toen een kleine acht jaar het land had geleid, namens de regering de verantwoordelijkheid op zich voor het drama Srebrenica, zeven jar eerder. Het betekende niet dat Nederland de „schuld” op zich nam, zei Kok er nadrukkelijk bij. De schuld voor de „massamoord lag bij de Bosnische Serviers en in het bijzonder bij generaal Mladic.”

De metafoor van het boek kwam in de jaren daarna nog vaak terug bij inmiddels ex-premier Kok. Vijf jaar geleden vormde het boek het dramatische slot van het eerste deel van een tweeluik over hem. Met een gelaat dat nog meer gegroefd leek dan anders zei Kok geëmotioneerd: „Dat boek met dat inktzwarte hoofdstuk waarvan er nog steeds regels worden bijgeschreven, dat gaat nooit dicht. Voor veel mensen. En voor sommigen geldt dat nog heftiger dan voor mij, maar ook voor mij.” Het „voor mij” was veelzeggend.

Wim Kok overleed in 2018. Bij de herdenkingsbijeenkomst in het Amsterdamse Concertgebouw hingen op het podium twee grote foto’s van hem in Srebrenica die in 2002 waren gemaakt tijdens zijn bezoek aan de plaats. Premier Rutte, één van de sprekers in het Concertgebouw, noemde Srebrenica „de donkerste schaduw als mens en als premier” van Kok. In soortgelijke zin had Koks echtgenote Rita zich al in 2004 uitgelaten: „Het leed van die duizenden slachtoffers en hun nabestaanden was zijn persoonlijk lijden geworden.”

De biograaf van Wim Kok, Marnix Krop, die in het nog te verschijnen tweede deel over zijn hoofdpersoon deze episode zal beschrijven, heeft het in dit verband over de „srebrenicafiëring” van Kok: het drama dat in de loop van zijn premierschap zijn leven steeds meer is gaan beheersen. Dat proces zou model kunnen staan voor Nederland als geheel, waar het volle besef over wat zich daar had afgespeeld aan de hand van de vele onderzoeksrapporten en getuigenissen met terugwerkende kracht groeide. Nederland had geen schuld, maar Nederlandse militairen waren er wel heel dicht bij toen de georkestreerde massamoord zich voltrok. Het is een knagende wetenschap.

Zelf zei Kok hierover in 2005 in het boek ‘Met Kok’ tegenover de historici Piet de Rooy en Henk te Velde: „Ik vond – en vind – dat we weliswaar staande kunnen houden dat ons geen schuld treft, maar waar blijft dan de morele verantwoordelijkheid?” Met „het klimmen der jaren” kon volgens hem „een morele last” groter worden. Vandaar pas de politieke verantwoordelijkheid in 2002 voor wat er in 1995 was gebeurd. Vandaar ook het voor Wim Kok nooit gesloten boek.

Lees ook: Terug naar Srebrenica