Opinie

Nieuw stelsel biedt reëler zicht op het latere inkomen

Pensioenakkoord

Commentaar

Honderdvijf. Zoveel mensen hadden afgelopen zaterdag het toekomstig lot van de pensioenen van miljoenen Nederlanders in handen. Die 105 vormen het ledenparlement van de vakcentrale FNV, en in de wereld van de pensioenen regeert de polder – en dus de vakbond – nog als ware het midden jaren tachtig.

Hoe het ook zij: 64 van de 104 aanwezige leden stemden zaterdag in met het nieuwe pensioenakkoord en daarmee is de weg vrij voor minister Koolmees (Sociale Zaken, D66) om de afspraken om te zetten in wetgeving. Dat mag met recht een huzarenstuk heten. Al twintig jaar wordt er fel en vaak emotioneel gedebatteerd over de oudedagsvoorziening.

Sinds duidelijk werd dat de pensioenpotten (gezamenlijk zo’n 1.500 miljard euro aan belegd vermogen) niet altijd als vanzelf zouden blijven toenemen, wordt er gesproken over een „meer toekomstbestendig pensioenstelsel”. Met de beurscrashes van 2001, 2008 en die van begin dit jaar nog vers in het geheugen, en dankzij de extreem lage rentes, werden de grenzen van het huidige stelsel voor iedereen helder. Zo kon het niet langer.

Dat er nu overeenstemming is over de inrichting van een nieuw stelsel is goed. Het committeert alle spelers in ‘pensioenland’ aan de grondige hervorming die de onmogelijkheden én de oneerlijkheden van het huidige stelsel opruimt. Dat de verbouwing van het stelsel nog zes jaar in beslag neemt is goeddeels te wijten aan de hypercomplexheid van het thema pensioenen.

Het ledenparlement van de FNV stemde zaterdag in met nieuwe regels voor pensioenfondsen. Tijd om nieuwsgierig te worden.

De kern van de verandering is helder: de zekerheid die jarenlang onlosmakelijk verbonden leek met „het beste pensioenstelsel ter wereld”, neemt af. In de toekomst zullen pensioenfondsen geen beloftes meer doen over de hoogte van de toekomstige uitkering, die konden toch niet meer waargemaakt worden. Werknemers zullen vooral duidelijk zien, op een ‘persoonlijke pensioenrekening’ hoeveel geld er nú voor hen gereserveerd is. Afhankelijk van de beleggingsresultaten van de fondsen in de nog resterende jaren kan dat mee- of tegenvallen.

De transparantie over de toekomstige onzekerheid is de grote winst van dit nieuwe stelsel. Te lang is gedacht dat in het huidige stelsel geen onzekerheden zaten. Die extra duidelijkheid betekent ook dat werknemers een grotere verantwoordelijkheid kunnen nemen in wat hen op latere leeftijd te wachten staat. De oer-Hollandse traditie van het ontvangen van het jaarlijkse pensioenoverzicht om dat vervolgens (ongelezen) in een schoenendoos op zolder te laten belanden, zou verleden tijd moeten worden. Tenminste, als de pensioengerechtigde later geen schoenendoos van Pandora wil aantreffen.

Wie ziet aankomen dat het pensioen gaat tegenvallen ten opzichte van de verwachtingen, kan nu beter zelf beslissen om daar individueel nog wat aan te doen (mits de financiële positie dat toelaat natuurlijk).

De laatste horde die nu genomen moet worden is een politieke. Het akkoord wordt omgezet in een wetsvoorstel dat nog voor de verkiezingen van maart volgend jaar naar de Kamer moet. Naast de vier coalitiepartijen (VVD, CDA, D66 en ChristenUnie) hebben ook de oppositiepartijen GroenLinks en PvdA al hun steun uitgesproken voor de plannen.

Het nieuwe pensioen zal vast een thema worden in de komende campagne. Dat is terecht: een onderwerp dat zovelen raakt, dient uitgebreid bediscussieerd te worden. Maar het vergt ook zelfbeheersing. Immers: waar werkgevers en werknemers, wier bijdrages de pensioenpotten hebben gevuld, na twintig jaar debatteren elkaar eindelijk hebben gevonden, moet de Kamer, in welke samenstelling dan ook , een zekere terughoudendheid betrachten.