Reportage

De leeuwenwelpen missen de mensen, de jachtluipaarden niet

Coronacrisis in Kenia Niet alleen mensen passen hun levens aan; ook in de beheerde natuurparken veranderde de gang van zaken.

Toeristen spotten jachtluipaarden in het Keniaanse Maasai Mara-natuurpark.
Toeristen spotten jachtluipaarden in het Keniaanse Maasai Mara-natuurpark. Foto Edwin Remsberg/Getty Images

Bij het dorp Sekenani passeren doorgaans tweehonderd voertuigen de ingang van het Maasai Mara-natuurpark, vandaag zijn het er vier. Vanaf dit dorp rijden normaal busjes af en aan. „Vele generaties wilde dieren zijn opgegroeid met toeristenbusjes”, zegt James Sindiyo, hoofd van de 270 wildwachters in het Keniaanse wildpark Maasai Mara. „De leeuwenwelpen missen kennelijk de mensen en liggen langs de hoofdweg op de uitkijk voor een toeristenbusje.” Om te voorkomen dat de beesten de mensen ontwend raken, laat de leiding van het reservaat iedere dag een paar auto’s rondrijden.

Corona heeft het toerisme om zeep geholpen in Kenia, de hotels in en rond het park staan leeg. Dat betekent een gigantische financiële strop. De Afrikaanse Unie schatte het verlies voor geheel Afrika vorige week op bijna 55 miljard dollar (bijna 50 miljard euro). „We hebben het hier over een sector die goed is voor bijna 10 procent van het bbp van Afrika”, zei AU-commissaris Amani Abou-Zeid op een online persconferentie. „Er zijn 24 miljoen Afrikanen werkzaam in de reis- en toeristensector.”

Kenia ontving vorig jaar twee miljoen toeristen en reizigers. Het wegvallen van hun entreegelden veroorzaakt voor de Kenya Wildlife Service, de overheidsorganisatie belast met natuurbehoud, een uitdaging om de wildparken open te houden. Met de inkomsten worden beheer, rangers en materieel betaald. In totaal is 17 procent van Keniaans grondgebied ingericht als natuurpark. Sindovo: „Dieren in het wild zijn ons nationale erfgoed. Kenianen kunnen zich nu gaan afvragen wat nog de rechtvaardiging is om zulke grote gebieden voor wilde dieren te reserveren.” Op die grond zouden ze immers ook kunnen wonen, aan landbouw doen of kuddes vee kunnen laten grazen.

Herwonnen vrijheid

De grashalmen tegen de voorruit van de terreinwagen belemmeren het zicht op gevaarlijke geulen en zompige moerassen. Gids Saruni Kasoe weet de richting maar niet de weg. Die is verdwenen in de maanden dat er vanwege de lockdown bijna geen verkeer meer is in het gebied.

Plots liggen er zeven volgevreten jachtluipaarden voor ons, hun uitpuilende buiken raken bijna de grond. In de Maasai Mara profiteren deze dieren het meest van de coronacrisis, volgens Sarinu: „Zonder toeristen is het veel makkelijker voor hen om te jagen. Zie je hoe kalm ze zijn? Op een gewone dag in het park zigzaggen tientallen busjes over de vlaktes, die hadden de jachtluipaarden al lang omsingeld en verjaagd”.

Toeristen verzamelen zich bij de ingang van het natuurpark.

Foto Fernando Quevedo/iStock

Jachtluipaarden (ofwel cheeta’s) leiden een delicaat bestaan in drukke wildparken. In tegenstelling tot leeuwen jagen ze meestal bij zonsopkomst en -ondergang, al wordt de dieren in dit park regelmatig de pas afgesneden door bezoekers die van die tijden op de hoogte zijn. „Vóór corona zochten ze zelfs het liefst een prooi tussen de middag, als de toeristen lunchten in hun hotels. Nu eist de dierenwereld haar territorium weer op. Het jachtluipaard herwint zijn vrijheid”, zegt Saruni. De wildwachters noemen vijf jachtluipaarden in deze groep – broers – ‘de Vijf Musketiers’. Een uur later stuiten we op een troep van 22 luierende leeuwen, de Leeuwen van de Zwarte Rots. Onze komst laat ze onberoerd.

Dat moet ook zo blijven, aldus Saruni. Als de dieren zich gaan verbergen, „verliest de Maasai Mara zijn aantrekkingskracht voor toeristen”. „Lang geleden liepen leeuwen en olifanten weg voor mensen, sinds het massatoerisme zijn intrede deed, is de bush niet meer zoals vroeger.”

En of de mensen kwamen. Het nauwgezet beheerde Maasai Mara, waar beesten worden geteld en een naam krijgen, trekt jaarlijks bijna driehonderdduizend toeristen – zonder coronacrisis.

Gnoes

De gnoes zullen zij niet over het hoofd kunnen zien. In het zuidwestelijk gelegen natuurgebied voltrekt zich een van de bekendste natuurfenomenen, als rond deze tijd twee miljoen gnoes in lange slierten binnenstromen vanuit het aangrenzende Serengeti in Tanzania. Ze grazen de vlaktes af, de mannetjes vechten om de vrouwtjes. Op hun trektocht verder moeten ze de Mararivier over, een spektakel waarvoor soms vijfhonderd toeristen staan te wachten. „Het liefst steken ze over met slechts een paar duizend tegelijk”, vertelt wildwachter Sindiyo, „maar de toeristenbusjes jagen hen op en dan plonzen ze massaal in de rivier, bezorgen de krokodillen een feestmaal en de toeristen een paar spectaculaire foto’s.”

Een Maasai-herder.

Foto Ugur Okcu/iStock

Zonder vakantiegangers keert het park terug naar een gelijkenis van zijn oorspronkelijke staat. Met alle 275 hotelletjes en tentenkampen (er is plek voor zesduizend gasten per nacht) gesloten, trekken olifanten, die mensengeluiden haten, de eetzalen binnen. De apen die graag voedselwaren stelen, blijven juist weg. Sindiyo nam de afgelopen weken een kleine toename waar van het stropen. „Het gaat niet om het grote stropen door syndicaten van ivoor en neushoornhoorn, maar om hongerige Maasai uit de omgeving die een gazelle of nijlpaard villen. Vaak betreft het studenten van wie de scholen gesloten zijn. Door de aanwezige toeristen bleven stropers uit de buurt. Zo waren toeristen een last voor wilde dieren maar ook een verhulde zegen.”

Het verband tussen de bescherming van de wilde dieren en toerisme, en daarmee inkomen voor plaatselijke bewoners, werkte zolang de bezoekers massaal toestroomden. Juist in dit natuurpark profiteerden de leden van het Maasaivolk, de grondeigenaren van grootschalige wildgebieden rondom het park. Het park zelf bedraagt 1.500 vierkante kilometer – in de nog veel grotere omliggende gebieden trekken eveneens wilde dieren rond. Gids Saruni voert me naar Maasai-ouderen die met sippe gezichten praten over de impact van corona.

„Ik ben te oud om te liegen”, begint de oude man Nkuyata Njapit. „Pas een kwart eeuw geleden zag ik voor het eerst witte mensen. Dat maakte me ervan bewust dat ik bij een wildpark leefde.” Vroeger bleef er weinig aan de strijkstok hangen voor de Maasai. Tegenwoordig ontvangen ze huur van de tentenkampen en voor iedere overnachtende toerist tien euro. „Hoe moeten we nu onze leningen bij de bank betalen”, klagen de landheren van deze beschermde gebieden. Vorige week besloot de regering dat de lockdown geleidelijk wordt opgeheven. De toegang van veel wildparken is voor Kenianen gehalveerd; vanaf 15 juli kan weer binnenlands gevlogen worden. Maar daarmee zal de achterstand van de inkomsten niet zo snel worden ingehaald.

Niemand in Sekenani draagt de in Kenia verplichte mondkapjes. Er is rondom de Maasai Mara nog geen coronabesmetting geconstateerd. „Toch lijden we meer dan wie ook in Kenia aan de gevolgen van corona”, volgens Nkuyata Njapit. „Wanhopige jongeren komen me vragen wat te doen. We hebben zo weinig antwoorden. Uit de hele wereld kwamen de toeristen hiernaartoe. Waar zijn ze gebleven?”

De pandemie toont op pijnlijke wijze hoe de Maasai afhankelijk zijn geraakt van toerisme. De introductie van het massatoerisme in de jaren 90 zette hun archaïsche wereld op zijn kop. Saruni herinnert zich hoe hij als kind geld verdiende met dansen. „We dansten voor een fooi in onze kralen. Vrouwen zongen nonsensliederen, niet onze liederen met morele lessen. Soms gingen bezoekers op hun knieën voor een vermeend stamhoofd en offreerden een geschenk.”

Gnoes rennen de Mara-rivier in. Er staan soms wel vijfhonderd toeristen om de gebeurtenis gade te slaan.

Foto Andrej Goedkov/iStock

Rond die zogenaamde ‘culturele boma’s’ groeide bij de ingang van het park het dorpje Sekenani. Jongeren bouwden er stenen huizen, gingen naar school en velen verkochten hun vee. Het is er nu muisstil. Er zijn geen sieraden verkopende vrouwen, geen commerciële sekswerkers om de chauffeurs van de busjes te plezieren. Zo vervaagt de kortgeleden begonnen moderne wereld weer. „En toch, er is geen weg meer terug voor ons Maasai. We kunnen het niet meer stellen zonder toeristen”, zuchten de ouderen.

Nu de toeristen wegblijven, is Saruni teruggevallen op het hoeden van zijn koeien in het park. „De dagen duren wel lang”, zegt hij somber. „Zal ik je daarom nog maar een verhaal te vertellen? Toen God iedereen in de wereld had geschapen, vond hij in zijn grote doos nog wat reserveonderdelen. Daarmee zette Hij de gnoes in elkaar”.

Lees ook: Natuurparken hebben het zwaar door corona

Correctie 10 juli 2020: In een eerdere versie van dit artikel werd abusievelijk de indruk gewekt dat het bedrag van 55 miljard dollar 10 procent vormt van het Afrikaanse bbp. Dat klopt niet: de toerismesector, die naar schatting 55 miljard dollar verliest, is goed voor zo’n 10 procent van het bbp. Hierboven is dat verduidelijkt.