Beschonken komkommer, dronken aardbei

Ewoud Sanders

Woordhoek

Curieus moment in de geschiedenis van het onparlementaire taalgebruik: tijdens het debat over institutioneel racisme zei Farid Azarkan van DENK vorige week, in een woordenwisseling met SP-Kamerlid Lilian Marijnissen: „Ik krijg de indruk dat mevrouw Marijnissen een beetje praat als een beschonken komkommer.”

Het is jammer dat bij Kamerdebatten slechts de woorden worden genotuleerd, niet de non-verbale taal. Azarkan gebruikte praten als een beschonken komkommer alsof het een gangbare uitdrukking is. Een variant op praten als een kip zonder kop. Dan wel een tegenhanger van praten als Brugman, een redenaar uit de vijftiende eeuw die met zóveel overtuiging kon debatteren dat hij zich een plaats in onze spreekwoordenschat heeft verworven.

Maar het gezicht van Marijnissen sprak boekdelen. Het is moeilijk om gezichtsuitdrukkingen precies te ondertitelen, maar ik houd het op: huh, wat zegt hij nou?, gevolgd door ongeloof, gevolgd door met een verbaasde glimlach en met vragende ogen kijken naar een collega. Tegelijkertijd klonk er een diepe zucht uit de speaker van Kamervoorzitter Khadija Arib – ook vervuld van ongeloof.

Het duurde even voordat ik begreep waar Azarkan deze uitdrukking vandaan had. Een paar dagen vóór dit racismedebat kreeg acteur Huub Stapel de lachers op zijn hand door in de talkshow van Beau gebazel van Thierry Baudet over „gezonde” en „ongezonde” architectuur (lees: klassieke en moderne) te onderbreken met de opmerking: „Dat is gelul van een dronken aardbei.”

Ik moet hier iets bekennen. In 1999 heb ik Jemig de Pemig geschreven, een boekje over de invloed van Kees van Kooten en Wim de Bie op het Nederlands. Daarin staan vijftig „taalcreaties” van dit duo: woorden, uitdrukkingen en spreekwoordelijk geworden typetjes, onder wie de regelneef, Koos Koets en Jacobse & Van Es. Maar een uitdrukking die ik indertijd niet heb opgenomen, simpelweg omdat ik ’m niet kende, is afkomstig van het „ordehoofd” van De Tegenpartij, Tedje van Es (een typetje van Wim de Bie). Tedje zei in 1981: „Meneer de voorzitter, wat de geachte afgevaardigde daar zeg, is natuurlijk gelul van een dronken aardbei en daarom vragen wij van De Tegenpartij of de geachte kleine mierenneuker z’n afgevaardigde muil ken houwen.”

Wat mij betreft verdient gelul van een dronken aardbei een plaatsje in de (spreek)woordenboeken. Deze zegswijze is de afgelopen decennia met regelmaat gebruikt. We vinden ’m in 2004 bij Kluun in de bestseller Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt! („Gelul van een dronken aardbei. Ik was er helemaal niet klaar voor.”) En ten minste één keer in de notulen van de Tweede Kamer. Tijdens een debat over het vreemdelingen- en asielbeleid zei Klaas Dijkhoff in 2017 tegen een PVV-Kamerlid: „Het zal allemaal wel weer. Op een gegeven moment denk ik aan een uitspraak over een dronken aardbei.”

Let wel: Dijkhoff beperkt zich tot een beleefde parafrase – het woord gelul laat hij weg. Ik vermoed dat Azarkan, geïnspireerd door Huub Stapel, vanuit dezelfde beleefdheid gelul heeft vervangen door praten, dronken door het nettere beschonken en aardbei – om onnavolgbare redenen – heeft ingeruild voor komkommer.

Zelf reageerde ik overigens, toen ik dit debatfragment hoorde, net als Marijnissen: afgeleid van de inhoud. Ik denk daarom dat zo’n ongewone beeldspraak niet speciaal effectief is in een debat, maar je genereert er wel aandacht mee.

Correctie: het citaat van Tedje van Es is van 1981 en niet van 1980, zoals hier eerder stond. Hij begon met ‘Meneer de voorzitter’ en niet met ‘Geachte voorzitter’. Dat is aangepast (8/7).

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.