Reportage

Vrijwilliger in Srebrenica: ‘Als er maar één getraumatiseerde bewoner weer zou gaan lachen’

Vrijwilligers in Srebrenica Linde Keij was in 2001 een van de Nederlandse vrijwilligers die bewoners van Srebrenica wilde helpen. Als alternatief voor de Nederlandse regering, die volgens haar tot dan toe angstvallig stil bleef.

Linde Keij (links) met weduwe Dragica uit Srebrenica, op het verjaardagsfeest van vrijwilliger Durkje.
Linde Keij (links) met weduwe Dragica uit Srebrenica, op het verjaardagsfeest van vrijwilliger Durkje. Foto privécollectie Linde Keij

Als Linde Keij wakker wordt, weet ze even niet waar ze is. Ze ruikt de geur van houtvuur, de ochtendzon schijnt haar slaapkamer binnen. De avond ervoor was het donker geweest, omdat de straatlantaarns na de oorlog nooit zijn hersteld. Ineens hoort ze buiten geweerschoten. Als ze opkijkt, ziet ze twee kogelgaten in het raam. Zaten die er al? Een straathond die geraakt is, jankt. ‘Waar ben ik terecht gekomen’, denkt ze.

Op die zondag 2 september 2001 opent Keij – ze is dan 32 – de deur en kijkt voor het eerst bij daglicht Srebrenica in. Ze ziet een lieflijk bergdorp met kapotte, stukgeschoten, huizen. Ze loopt de straten in en telt de kogelgaten. Een van de weinige gebouwen die zijn opgeknapt, is de witte, Servisch-orthodoxe kerk. Waar de moskee stond, gaapt een gat. Mensen wonen in garages, in containers.

De meeste inwoners zitten op hun stoepje te kijken naar wat langskomt. Sommigen hakken houtjes voor de kachel. Op de televisies in hun huizen ziet Keij maar twee soorten programma’s: Oost-Europese modeshows en live-uitzendingen van het Joegoslaviëtribunaal dat zich over oorlogsmisdaden uit de Balkanoorlog buigt. Het Haagse tribunaal is berucht in Srebrenica. De Bosnisch-Servische vrouwen zijn vooral bang dat hun zoons worden opgepakt.

Bijna iedereen is werkloos. Voor de oorlog was een kwart van de inwoners Bosnische Serviër, driekwart Bosnische moslim. De moslimvrouwen werden gedeporteerd tijdens de val van Srebrenica op 11 juli 1995. Achtduizend van hun mannen, zoons, broers en vaders werden omgebracht. Hun huizen staan leeg, of worden bewoond door mensen die de burgeroorlog ontvluchtten uit andere delen van voormalig Joegoslavië.

De adem inhouden

„Het was alsof het stadje de adem inhield”, vertelt Linde Keij in de tuin van haar huis in de buurt van Nijmegen. Keij werkte in Nederland als redacteur van het personeelstijdschrift van de TNT Post. Ze verbouwde eind 2000 haar appartement, toen ze een documentaire zag over Srebrenica. Er stond een vrouw tussen de puinhopen van haar huis. Ze drukte de haartjes die langs de zijkant naar buiten piekten terug onder haar hoofddoek. Het deed Keij denken aan haar oma, een boerenvrouw uit Noord-Limburg.

Keij dacht na: waarom helpt de Nederlandse overheid daar niet? Dus nam ze een sabbatical om ter plekke iets goeds te gaan doen. Er was maar één Nederlandse organisatie die dat al probeerde: de Werkgroep Nederland-Srebrenica. Abel Hertzberger en Magda van der Ende, initiatiefnemers van de werkgroep, waren ervaren in het geven van cursussen ‘geweldloze sociale verandering’ in conflictgebieden. In de training leerden ze Linde Keij en tientallen andere vrijwilligers, onder wie de vier waarmee Keij in het najaar zou vertrekken, in een paar weekenden wat ze in Srebrenica konden verwachten. Wat is de achtergrond van de Bosnische Serviërs? Van de Bosnische moslims? Hoe kreeg de burgeroorlog vat op hen? Wat is er in Srebrenica gebeurd? Wat was de rol van Dutchbat? De groep leerde trauma’s te herkennen, bij anderen en bij zichzelf.

Keij kreeg een stokje dat ze onder een bepaalde hoek in de grond moest prikken; de velden rond Srebrenica lagen vol mijnen. Ze leerde hoe ze, zonder de taal te spreken, toch een gesprek kon voeren.

In de trainingsklasjes ontmoette ze Nellie, de PvdA-vrouw met de grijze krullen en het huishoudelijk talent. Die zou in Srebrenica naailes geven, want breien konden ze daar al. Ze ontmoette George, de techneut, die zijn hele leven voor Philips had gewerkt. Hij zou in Srebrenica de technische apparaten herstellen die in de oorlog waren gesneuveld. Hij nam een collectie nette jasjes mee. Marijke, ongeveer even oud als Keij, kwam net van het conservatorium en zou muziekles geven om de oorlogskinderen uit hun schulp te krijgen. Keij moest even nadenken over wat haar talent was. In overleg met Hertzberger en Van der Ende besloot ze de Engelse les in het lokale vrouwencentrum Amica over te nemen.

Lees ook het verhaal van de bekendste weduwe van Srebrenica, Mehida Mustafic, die terugverhuisde naar de plek van de genocide

Op dat moment was David Wubs, toen 24 jaar, al de stemming aan het peilen in Srebrenica. Hij leidde het project van de werkgroep. Wubs had onderzoek gedaan naar terugkeer van ontheemden in Bosnië. Met tolk Dragana Jovanovic vroeg hij inwoners van het stadje hoe ze zouden reageren op de komst van Nederlanders. Een jonge Bosnisch-Servische man zei dat hij de Nederlanders vooral wilde bedanken voor de samenwerking bij het ombrengen van de moslimmannen.

Frustraties

Hertzberger en Van der Ende waren in 1996 in Tuzla in een demonstratie van de ‘Vrouwen van Srebrenica’ verzeild geraakt. Daar hoorden ze over hun frustraties. „Waarom hebben wij na de genocide niets van Nederland gehoord?” Schuldig of niet schuldig, Nederland moest contact zoeken, vonden Hertzberger en Van der Ende. Als de overheid het niet deed, dan deden zij het zelf wel.

De werkgroep organiseerde een tiendaagse rondreis door Nederland voor vijf vrouwen uit Srebrenica. Alle honderdvijftig Tweede Kamerleden hadden een brief van hen gekregen, of ze de vrouwen wilden ontmoeten. Minister Jan Pronk (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) nodigde Hertzberger uit voor een reis naar Bosnië. De werkgroep kreeg subsidie via het ministerie. Een klein bedrag, waarvan ze onder meer coördinator Wubs konden betalen. Hoezeer ze de hulp van Pronk ook waardeerden, het bleef knagen bij Hertzberger en Van der Ende, maar ook bij Keij en Wubs: waarom waren zij, dat bijeengeraapte groepje vrijwilligers, de eerste Nederlanders van wie de inwoners van Srebrenica iets hoorden na 1995? Waarom bleef de Nederlandse regering zo angstvallig stil?

Verwaarlozen

Oud-minister Pronk legt nu, vijfentwintig jaar na de genocide, uit dat het kabinet eerst de resultaten wilde kennen van het NIOD-onderzoek naar het optreden van de Nederlanders in Srebrenica. „We moesten er veel te lang op wachten, dat zat ons niet lekker.” Al voor het definitieve rapport uitkwam, zei Pronk publiekelijk dat hij vond dat Nederland in Srebrenica had „gefaald”. „Het kabinet heeft me dat kwalijk genomen.”

Ook na het NIOD-rapport is Nederland Srebrenica blijven verwaarlozen, vindt hij. „Vluchtelingen kwamen deze kant op en kregen geen asiel. Nu is het er nog steeds een kruitvat. Er is een historische verantwoordelijkheid die Nederland daar zou moeten nemen, maar dat doet ze niet.”

De Werkgroep Nederland-Srebrenica wordt de eerste Nederlandse organisatie in Srebrenica. Zodra de eerste twaalf Bosniërs naar hun oude huizen terugkeren, kunnen de vrijwilligers beginnen.

Ze vallen op in het grijze dorp, de Nederlanders. Kleurrijke types. „Van vlotte zakenjongens tot dames met hennahaar”, zegt Keij. Nellie tovert een vrachtwagenlading naaimachines uit Nederland tevoorschijn. George wordt opgetrommeld, omdat de meeste niet goed werken. Linde ziet in de tijdschriften bij koffiehuis Venera steeds horoscopen die ze uitknipt voor haar Engelse les. Ze laat de vrouwen, ingedeeld naar sterrenbeeld, elkaar hun horoscoop voorlezen en uitleggen. „In tweetallen, anders giebelen ze maar.”

Beelden van Srebrenica in 2001. Vrijwilliger Linde Keij zag een lieflijk bergdorp met kapotte, stukgeschoten huizen en veel kogelgaten.
Foto’s privécollectie Linde Keij

De Nederlanders lopen op eieren in Srebrenica. Ze doen welbewust telkens bij een andere winkel boodschappen. Een geschikt vrijwilligershuis kiezen, duurt dagen. Het mocht niet van een vermoorde of gevluchte Bosnische moslim zijn geweest, en al helemaal niet van een oorlogsmisdadiger.

Het kost tijd om te wennen. George heeft weinig omhanden. Er zijn nauwelijks apparaten te repareren, de helft van de tijd heeft het dorp niet eens stroom. Na een tijdje gaat hij microfoons bij het lokale radiostation keuren. Linde loopt dagelijks de berg af van het vrijwilligershuis naar het vrouwencentrum, een wandelingetje van tien minuten. Ze kijkt of haar grijze lokaal is opgeruimd, of de stoelen in een cirkel staan. Er komen steeds meer dames naar de les maar het zijn uitsluitend Bosnische Serviërs, geen moslims.

Ze leven in Srebrenica langs elkaar heen. Linde Keij hoort van haar Bosnisch-Servische vrienden welke vooroordelen de groepen over elkaar hebben: de Bosnische moslims zijn klempa, domoortjes. De Bosnische Serviërs zijn arrogant.

Naar het restaurant

Na een paar weken gaat op een zonnige namiddag de telefoon in het vrijwilligershuis. Het is Abdulah, oud-kok op de compound van Dutchbat en een van de weinige Bosnische moslimmannen die terugkeerden naar Srebrenica. Kunnen de vrijwilligers naar zijn restaurant Misirlije komen? Er is een vrachtwagen met meubels gearriveerd. De vrijwilligers schuiven hun borden opzij – aardappelen, paprika, tomaat en mileram, Bosnische zure room – trekken hun schoenen aan en gaan op pad. Als ze aankomen bij de garage van Abdulah staan alle leren stoelen al binnen. De Bosnisch-Servische buren hebben helpen sjouwen.

Bekijk hier een tijdlijn over de oorlog in het voormalige Joegoslavië en de nasleep van de val van Srebrenica - 1991-2020

Na een paar weken duurt de afdaling van het vrijwilligershuis naar het vrouwencentrum geen tien minuten meer, maar een half uur. Linde Keij komt steeds vaker bekenden tegen.

FK Guber, de plaatselijke voetbalclub, vraagt de werkgroep om een subsidie om de competitie weer op te starten. Met nieuwe tenues. Abel Hertzberger is verrast. Het voetbalveld was de laatste jaren een koeienwei. Het hout van de supportersbanken is verrot. Hij gaat akkoord onder één voorwaarde: er moet een gemengd bestuur komen. Een paar weken later staan de jongens van FK Guber weer op het veld. Langs de zijlijn moedigen Bosnisch-Servische en moslimouders samen aan.

Elke week drinkt Linde Keij koffie met teruggekeerde moslimvrouwen. Om de oorlogsverhalen aan te horen, vaak over hun omgekomen mannen en zoons. Toen David Wubs net in Srebrenica was, werd nog een handgranaat onder een auto van een Bosniër gegooid. Door vluchtelingen verlaten huizen werden in brand gestoken. Het geweld is minder erg geworden, maar de moslimvrouwen zijn nog altijd bang. De aanwezigheid van burgerwaarnemers geeft hun een veilig gevoel.

Als coördinator Durkje jarig is, geeft ze een feestje in het vrouwencentrum. Ze nodigt Bosnisch-Servische én moslimvrouwen uit, twaalf in totaal. Keij helpt Durkje ballonnen op te hangen. Weduwe Dragica, die ooit getrouwd was met een Bosnische moslim, komt in een blauwe feestjurk binnen. Het is wat onwennig. De vrouwen zitten roerloos in een kring, elk bij hun eigen ‘soort’. De Nederlanders zetten een cd met Bosnische hits aan. Dat breekt de ban, zegt Keij. „Uiteindelijk stond iedereen te dansen.”

Scharrelvrijwilligers

Kon een stel goedbedoelende Nederlanders iets veranderen in Srebrenica? „We waren enorme amateurs”, zegt Abel Hertzberger achteraf. „Scharrelvrijwilligers”, zegt Linde Keij. Maar, zegt Keij, haar doel was één getraumatiseerde of bange teruggekeerde bewoner te laten lachen. Dat heeft ze bereikt. „Ik ging er niet heen om de wereld te veranderen.”

David Wubs vindt het project vooral geslaagd nu tolk Dragana Jovanovic het heeft voortgezet. De werkgroep heet nu Friends of Srebrenica en is een jongerenorganisatie. Met (tot drie jaar geleden) subsidie van de Nederlandse overheid richtte Jovanovic twee radiostudio’s op, waarin jongeren nieuws vanuit Srebrenica verslaan voor internationale televisiestations, zoals Al Jazeera. Bosnisch-Servische en moslimjongeren komen met elkaar in contact door het project, zegt Jovanovic.

David Wubs is drie keer terug geweest, ook om te zien hoe Jovanovic de organisatie verder ontwikkelt. Linde Keij bezocht het dorp nog vier keer; om vrijwilligersvriendin Marijke op te zoeken, die langer is gebleven, maar ook om te kijken hoe het ging met oude vrienden Abdulah en Dragica.

Initiatiefnemers Abel Hertzberger en Magda van der Ende hielpen de werkgroep op weg naar zelfstandigheid in Srebrenica. Als vanzelf werd de afstand tot het project groter, nieuwe conflicten in Nepal en Tsjaad vroegen hun aandacht. In 2003 overleed Magda’s dertigjarige zoon en stopte ze met het trainen van vrijwilligers. Magda was tot dan toe elk jaar naar de herdenking van de val van Srebrenica in Den Haag gegaan. Na 2003 ging ze nog maar één keer. „Het verdriet om mijn eigen zoon vermengde zich te veel met het verdriet van de vrouwen van Srebrenica om hún zoons.”