Verdwenen reuzenalk kwam ’s winters vaak buurten op de Noordzee

Zeebiologie De ‘pinguïn van het noorden’ blijkt lang zo zeldzaam niet als gedacht: de reuzenalk leefde al tijdens de laatste ijstijd in het zuidelijke Noordzeegebied.

Zwart, langwerpig opperarmbeen van een reuzenalk, aangetroffen langs de vloedlijn van het strand van 's-Gravenzande.
Zwart, langwerpig opperarmbeen van een reuzenalk, aangetroffen langs de vloedlijn van het strand van 's-Gravenzande. Foto Rick van Bragt

De ruim 150 jaar geleden uitgestorven reuzenalk was in de Noordzee lang zo zeldzaam niet als paleontologen altijd dachten. Sterker nog: de soort blijkt een veelvoorkomende wintergast te zijn geweest in het zuidelijke deel van de zee, tussen Groot-Brittannië en Nederland. Dat concludeert bioloog en conservator Bram Langeveld van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam in het ornithologische tijdschrift Ardea.

De reuzenalk (Pinguinus impennis), die niet kon vliegen, was familie van nog levende alkensoorten als de ‘gewone’ alk, de papegaaiduiker en de zeekoet. Hij onderscheidde zich vooral door zijn grootte: rechtop was de reuzenalk zo’n 50 centimeter groot, vergelijkbaar met de koningspinguïn, de een-na-grootste pinguïnsoort. Met z’n zwart-witte verenkleed en z’n waggelpas (alleen onder water kon hij zich gracieus voortbewegen) had de reuzenalk in de negentiende eeuw de bijnaam ‘pinguïn van het noordelijk halfrond’ vergaard. Die faam mocht hem niet baten – nadat de vogels eeuwenlang waren bejaagd voor hun veren, hun vlees en hun eieren werd het laatste broedpaartje in 1844 gedood op het eilandje Eldey, ten zuidwesten van IJsland. Het ei dat ze hadden gelegd, brak.

Veelgezien

59 (deels gefragmenteerde) opperarmbeentjes van de reuzenalk, gevonden in opgespoten zand langs de Noordzeekust.

Foto Bram Langeveld

Dat de reuzenalk een veelgeziene vogel in de zuidelijke Noordzee moet zijn geweest, is een verrassende conclusie. Tot nu toe zijn in Nederland slechts acht reuzenalkbotjes gevonden, afkomstig uit de Romeinse tijd. Aangenomen werd daarom dat de soort alleen noordelijker voorkwam, rond IJsland, Groenland en langs de oostkust van Canada. Het piepkleine rotsige Eldey bij IJsland (met een oppervlak van zo’n 0,3 vierkante kilometer) herbergde vanaf 1831 zelfs een van de meest omvangrijke broedkolonies– het naburige eiland waar de reuzenalken tot dan toe huisden, werd dat jaar verwoest door een vulkaanuitbarsting.

Langeveld beschrijft in zijn artikel 91 reuzenalkenbotten die de afgelopen vijf jaar langs de Nederlandse kust zijn gevonden – het noordelijkste exemplaar ter hoogte van Zandvoort, het zuidelijkste bij Cadzand, dicht tegen de Belgische grens. Het betreft hoofdzakelijk opperarmbeentjes (59 stuks). „Die zijn relatief groot, en dus makkelijker te vinden en te determineren”, zegt Langeveld aan de telefoon. „Ook zijn ze vermoedelijk beter bewaard gebleven omdat ze stevig zijn. Normaal zijn vogelbotten licht en broos, omdat vogels moeten vliegen. Maar de reuzenalk profiteerde bij het duiken juist van zijn zware botten.”

De fossiele botten zijn veelal gevonden door amateur-paleontologen in het zand van opgespoten stranden. Vooral De Zandmotor – een kunstmatig schiereiland voor de kust van Zuid-Holland – blijkt een vruchtbare vindplaats, met 52 fossielen.

Waar de gefossiliseerde reuzenalken precies stierven is niet te achterhalen, benadrukt Langeveld. Het opgespoten strandzand is weliswaar afkomstig van vlak voor de kust, maar wellicht waren ze al een tijdlang dood voor ze hun laatste rustplaats bereikten. Dode vogels kunnen een lange tijd blijven drijven: van dode zilvermeeuwen is bekend dat ze pas na 38 dagen zinken. Afgaand op zeestromen is het aannemelijk dat de dode reuzenalken afkomstig waren van het zuidelijke deel van de Noordzee, tussen Groot-Brittannië en Nederland in. De ondiepe, visrijke zee zou een goede overwinteringsplek zijn voor de vogels.

Datering

Door C14-datering heeft Langeveld ook de ouderdom van de botten bepaald. Die blijkt tussen ruim 48.000 jaar geleden en 1300 voor Christus te liggen. De reuzenalken kwamen dus al vér voor de Romeinse tijd voor – opmerkelijk genoeg in een periode dat de Noordzee was drooggevallen en er mammoeten rondliepen. Hoe kan dat? Langeveld: „Ja, daarover tasten we nog in het duister. Dergelijke dateringen kennen we ook van walrussen, en bij hen denken we dat ze de rivieren opzwommen die de drooggevallen zeebodem doorkruisten. Hoe dat bij de alken zat weten we niet precies. Het zou ofwel betekenen dat de zeespiegel destijds minder laag stond dan wordt gedacht, óf er zijn bacteriën in het beenmerg geslopen die voor een afwijkende C14-datering zorgen. Daar zijn dateringsspecialisten nog niet over uit.”

Het lijkt er overigens niet op dat de nu beschreven exemplaren gedood zijn door mensen – de enige beschadigingen die op de botten te zien zijn, lijken afkomstig te zijn van de zandzuigers.

Lees ook: Verdwenen reuzenalk komt een klein beetje terug