Srebrenica’s doden: grootste forensische ‘legpuzzel’ ooit

25 jaar Srebrenica Nog altijd worden doden van de val van Srebrenica geïdentificeerd. De internationale organisatie die daartoe is opgericht, identificeerde in ruim twintig jaar meer dan 7.000 van de 8.000 vermoorde moslims. „En ook de laatste 800 vermisten krijgen een naam en een begrafenis.”

In Tuzla worden menselijke resten uit Srebrenica onderworpen aan dna-analyses door onder anderen deze forensisch antropologe.
In Tuzla worden menselijke resten uit Srebrenica onderworpen aan dna-analyses door onder anderen deze forensisch antropologe. Foto Flip Franssen / Hollandse Hoogte

Vraag naar de succesvolste hulporganisatie in Srebrenica en alle vingers wijzen naar het verderop gelegen Tuzla. Daar zit het laboratorium van de International Commission on Missing Persons (ICMP). In ruim twintig jaar hebben de medewerkers meer dan zevenduizend van de achtduizend vermoorde Bosnische moslims uit Srebrenica geïdentificeerd. Hun methode wordt in de hele wereld gebruikt – van de slachtoffers van de tsunami in Thailand tot aan de doden van MH17. Kosten van hun werkzaamheden wereldwijd in 2019: ruim twaalf miljoen dollar.

ICMP is opgericht in 1996, kort na het bereiken van het Dayton-vredesakkoord dat een einde maakte aan de oorlog in Bosnië, op initiatief van de toenmalige Amerikaanse president Bill Clinton. De huidige directeur, Kathryne Bomberger, arriveerde niet lang daarna in Tuzla. Ze trof, vertelt ze in een videocall vanuit ICMP’s huidige hoofdkantoor in Den Haag, een ziekenhuis aan dat uitpuilde van de lijken en een ziekenhuisstaf die dreigde het werk neer te leggen. „Het eerste wat ik regelde was de bouw van een mortuarium.”

Daarmee waren niet alle problemen opgelost. Neem de overblijfselen. Die bleken niet intact te zijn. In een poging hun sporen uit te wissen, hadden de (Bosnisch-)Servische strijdkrachten de doden opgegraven en met bulldozers in andere graven, verderop, gedeponeerd, waarbij ledematen, gebitten en kleding door elkaar waren ‘gehusseld’. Bomberger: „Eén lichaam is uiteindelijk op elf verschillende locaties teruggevonden, meer dan vijftig kilometer uit elkaar.” De onderzoekers zelf noemen het „de grootste forensische legpuzzel ooit”.

In 1998 kon de commissie gebruikmaken van dna-technieken. Lijken werden daardoor sneller geïdentificeerd. Maar het mortuarium raakte niet leger, want de vrouwen van Srebrenica eisten dat hun geliefden werden begraven in Srebrenica. Ze werden daartoe aangemoedigd door Bosnische nationalistische politici, die spraken over duizenden witte palen om zo de herinnering aan de genocide zichtbaar te houden.

Lees ook: ‘Ik heb dit huis herbouwd voor een nieuwe generatie Mustafic’

Dat was weer tegen de wil van de Bosnische Serviërs. En omdat zij sinds de val van de enclave de overgrote meerderheid in Srebrenica vormden, stokte de voortgang. Zo werden in de jaren na de eeuwwisseling nog volop lichamen gevonden, maar die werden door ruimtegebrek opgeslagen in een zoutmijn in Tuzla, want het mortuarium lag binnen enkele maanden vol.

‘Psychologische marteling’

Bomberger noemt het „psychologische marteling van de nabestaanden”. Ook al konden zij weten dat hun vaders, mannen en zonen waren vermoord, zonder een geldige identificatie en een behoorlijke begrafenis bleven ze hopen op een terugkeer. Een fenomeen dat zich overal ter wereld voordoet, zegt Bomberger, ook bij de nabestaanden van de aanslag op de MH17. „Die blijven denken dat hij op een dag door de deur wandelt.”

Daarbij deden vreemde verhalen de ronde onder de Bosnische moslims; dat de mannen van Srebrenica waren afgevoerd naar kampen in de Servische heuvels bijvoorbeeld. Onder de nabestaanden, vaak ongeletterde boerenvrouwen, werden die giftige verhalen gretig doorverteld.

Closure [een fatsoenlijke begrafenis waarna het trauma kan worden afgesloten] zoals tot dan toe de gang van zaken was in het geval van vermiste personen, was ontoereikend, zegt Bomberger. „Voorheen was het adagium: hier is het lichaam, begraaf het en probeer verder te gaan met je leven. Dat is een humanitaire benadering. Maar wij wilden rule of law.”

Dat betekent zoveel als het naleven van de beginselen van de rechtsstaat. Of, in de woorden van Bomberger, „behandel de mensen zoals je zelf behandeld wilt worden. Westerse standaarden gelden hier ook”. Dat betekende niet alleen een zak met een lichaam om te begraven, maar ook actieve deelname van de eigen staat in onder meer het opsporen van de doden en het vervolgen van de moordenaars.

Om de staat daartoe te bewegen, moest er druk worden uitgeoefend; niet alleen op nationale regeringsfunctionarissen, maar ook op leiders uit de verschillende ‘entiteiten’ (zie inzet). Dat gebeurde door de nabestaanden, zoals de weduwen van Srebrenica, die met internationale hulp werden opgeleid tot krachtige en mondige belangenbehartigers. Bomberger: „Families van nabestaanden zijn vaak veel invloedrijker dan ze denken.” En door de internationale gemeenschap die rond de eeuwwisseling, in tegenstelling tot vandaag de dag, verenigd en onder sterk, westers leiderschap stond. „Kijk naar Syrië, waar veel internationale werkzaamheden nu worden bemoeilijkt door een gebrek aan internationale consensus.”

Het werd een lange weg, zegt Bomberger. In 2003 werden de eerste palen geslagen in wat zou uitgroeien tot een immense begraafplaats en monument, nadat de Hoge Vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina Paddy Ashdown zich persoonlijk en langdurig met de tegenstribbelende Bosnische Serviërs had bemoeid. In 2005 richtte de Bosnische regering een commissie in die zich ging bezighouden met de vermisten in het land. En in 2011 werd generaal Mladic, die de aanval op Srebrenica leidde, gearresteerd en naar het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag overgebracht.

Lees ook: Thom Karremans: ‘Als commandant moet je lef hebben

Corruptie wijdverspreid

Druk werd er ook uitgeoefend als er sprake was van corruptie – in Bosnië, dat een systeem van corruptie en cliëntelisme kent, is dat wijdverspreid. Zoals toen de Bosnische autoriteiten ICMP verordonneerden om een transformator aan te schaffen voor het laboratorium in Tuzla – „groot genoeg om een hele pizzaketen van stroom te voorzien”. Kosten: 100.000 Duitse marken (ruim 51.000 euro). „Ik heb ze gebeld en gezegd: dat moet je vooral proberen. Want dan zorg ik ervoor dat er vanaf nu twintig nabestaanden op je stoep staan te demonstreren, iedere dag opnieuw.”

Al die tijd lag ICMP zelf ook onder een vergrootglas. Of ze wel naar alle vermisten zochten, ongeacht etniciteit en religie. Bomberger: „Dat deden we, al hebben we vanaf het begin gezegd dat er geen sprake kon zijn van een gelijk opgaan.” Dus niet bijvoorbeeld drie Bosnische moslims identificeren, en daarna drie Bosnische Serviërs, om pas dan weer verder te kunnen met de identificatie van moslims.

Om de vergiftigende naoorlogse propaganda te lijf te gaan, moest het hele proces zo transparant mogelijk verlopen – in Tuzla stonden de vrouwen van Srebrenica bijna met hun neus op het laboratoriumonderzoek. Ook leidde de commissie een tiental lokale mannen en vrouwen op tot forensisch onderzoeker en dna-expert. Zij werden niet alleen ambassadeurs van ICMP in de lokale gemeenschappen, maar speelden ook een belangrijke rol in het verkrijgen van dna van de Bosniërs.

Nu, vijfentwintig later, zijn er ruim zevenduizend vermisten uit Srebrenica geïdentificeerd. En ook de laatste achthonderd vermisten zullen een naam en een begrafenis krijgen, zegt Bomberger. Door middel van nieuwe technieken, waarmee ook dna-onderzoek onder verre verwanten uitsluitsel kan geven, en met hulp van Amerikaanse satellietbeelden, waarmee sporadisch nog nieuwe massagraven worden ontdekt. „En ja”, zegt Bomberger, „dat is meer dan waar we vijfentwintig jaar geleden op hadden durven hopen.”