Opinie

Pijn doen

Ellen Deckwitz

Dus vrijdagochtend ontbeet ik met een vriendin op een terras in een poging de plaatselijke horeca te reanimeren en alles ging medium oké tot er een wat verwaarloosd uitziende man op ons afkwam en om twee euro verzocht. Ik was mijn tas vergeten en dus richtte hij zich op mijn vriendin, die zei dat ze niets had.

„Je liegt”, zei hij. Ondertussen had ik in de moswouden van mijn jaszakken een toffee gevonden en bood die aan maar hij negeerde me terwijl hij mijn vriendin zo dreigend aankeek dat ik begon te vrezen voor haar voortanden.

„Je liegt”, zei hij weer tegen haar.

„Joehoe, ik ben er ook nog!”, riep ik in een poging om het over iets anders te hebben.

„Jij”, siste de man tegen mijn vriendin, „Jij wil me pijn doen.”

Hij liep woedend weg. Geen croissant die de ochtend nog kon redden. Het was simpeler geweest als hij haar gewoon voor hoer had uitgemaakt.

De rest van de dag moest ik aan de man denken. Getuige zijn uiterlijk en gedrag was zijn bestaan waarschijnlijk geen feest. Achter zijn woede zat wanhoop. Ik had iets moeten doen maar ja, nu was hij weg.

In de roman Saturday laat schrijver Ian McEwan op een zeker moment zijn hoofdpersoon, de irritant gelukkige chirurg Henry Perowne, verzuchten hoe vervelend het wel niet is dat je niet iedereen kan helpen. Als moderne mens moet je volgens hem „selectief zijn in je genades”, omdat niemand, zelfs de paus of Bill Gates niet, bij machte is om iederéén te redden. Dus moet je keuzes en dus onderscheid maken in wie of wat je steunt en zo zal je onophoudelijk tekortschieten omdat er nou eenmaal meer hulpbehoevenden zijn dan je aankan.

Ten slotte belde ik de vriendin. Die was er allang weer overheen. „We hadden hem iets moeten toestoppen”, zei ik.

„Jij geeft toch elke maand al aan van die stichtingen voor zielige dieren?”, zei ze.

„Ja, maar daar heeft die man van vanochtend natuurlijk helemaal niets aan.”

„Joh”, zei ze, „zie het gewoon als een zegen dat je tenminste nog íéts doet voor de wereld. Dat is ook al heel wat.”

Die gedachte hielp een paar uur, maar tegen de avond laaide de gewetenswroeging weer in alle hevigheid op. Peinzend poetste ik mijn tanden en ontdekte opeens dat mijn schuldbesef niet zozeer voortkwam uit compassie of machteloosheid maar uit iets egoïstischers: survivor guilt. En dat is een besef dat zich niet laat afkopen, wat je ook doet, wat je ook geeft, hoelang je ook wakker ligt.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.