Opinie

Ontspannen

Marcel van Roosmalen

We gingen op vakantie, corona-style. Huizenruil met de oudste zus van de moeder van de vriendin, die niets liever wilde dan nog één keer een week in Wormer wonen, het dorp waar ze opgroeide. Normaal gesproken zou ik in de derde zin over de reis beginnen, die was inderdaad verschrikkelijk, maar ook te kort om lang over te kunnen klagen: nog geen veertig minuten later waren we op de plaats van bestemming.

Bergen, Noord-Holland, behept met hetzelfde klimaat als Wormer.

Zaten we dan. Alsof een onbekende stem ons had bevolen om te genieten. De vriendin probeerde een boek te lezen. Ik probeerde op de bank te liggen.

Het huis was kidsproof was ons verzekerd, alles kon niet of mocht kapot, maar die van ons trokken als een jeugdbende door het huis en begonnen daarna met grint naar de glazen serre te gooien.

We verweten elkaar dat het de ander niet lukte om te ontspannen en zeiden zinnen als: „Als het voorbij is wordt het wel mooi weer.” Wel fijn dat het maatschappelijk debat ons even passeerde, we waren echt onder elkaar.

„Wat zijn we met veel ineens”, dacht ik hardop, alsof de laatste jaren me waren ontgaan en het me nu pas opviel dat we niet met twee maar met vier zijn.

De eerste avond aten we pannenkoeken bij de bosrand in een pizzeria/pannenkoekenhuis waar we in de hoek met huilende baby’s waren gezet. Begon ik te dementeren? Hoe kon ik vergeten zijn hoe vreselijk het op dat soort plekken is?

Door de stromende regen terug naar dat huis.

De kinderen begonnen de volgende ochtend al om half zes, ik vroeg de vriendin of ze al gelukkig was, een vraag die per kerende post als een boemerang in mijn gezicht terugkwam.

„En jij?”

Het overviel me dan toch nog.

We hadden ons gesplitst in twee groepen, ik was met de oudste achterop met de fiets onderweg naar het strand. Zes kilometer tegen windkracht 7 in, woedend trappend alsof het dan zou stoppen met regenen. Metershoge oude bomen aan de beide kanten van de weg. Achter mijn rug zong ze „Uit Artis is een beer ontsnapt”, steeds harder, als een soort bezwerende formule dat alles goed zou komen.

Bij het Zee Aquarium rechtsaf, ze rende het strand op.

Onvermoeibaar schelpen zoeken.

Daarna ging ze languit in het zand liggen, zwaaiend met haar armen.

„Ik heb een engel gemaakt.”

Ik moest er een foto van maken.

Ik heb mezelf beloofd er af en toe naar te kijken, voor als ik weer eens niet meer weet hoe geluk eruitziet.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.