Mijn lichaam redt het misschien niet, maar ik wel

Opgenomen Het was dit voorjaar kantje boord voor K. Schippers, hij belandde in het ziekenhuis voor longontsteking en hartfalen. De P.C. Hooftprijs-winnaar schreef er dit verhaal over.

Illustratie Pepijn Barnard

Zondag 1 maart opgenomen, op advies van een weekenddokter. Ben erg benauwd. In de ambulance naar het ziekenhuis vraagt de chauffeur-verpleegkundige: „Wat doet u?” „Ben dichter”, zeg uit m’n hoofd een gedicht van een ander op, ‘Wat zij bedoelen’ van Jan Hanlo. Zo begint het:

Schilders schilderen wanneer zij ’t kunnen

’t engelgezicht van die zij beminnen

Maar ik die niet schilder

wat moet ík beginnen

Eerste hulp van het OLVG-Oost, in Amsterdam. Steeds meer verpleegkundigen, dokters ook. Ken er nog één van E.’s opname op 10.2.20. Ik moet er wel slecht aan toe zijn. Infusen, controle bloed, hartslag, zuurstof. Men is allerminst tevreden.

„Bent u als u niet ziek bent ook zo dik?”, vraagt een jonge verpleegkundige.

E. is er al, m’n dochters B. en D. komen in die volgorde. Het is een uur of half vier. Het valt me op dat iedereen een mondkapje draagt, behalve mijn familie.

Iemand beslist dat ik naar de hartbewaking moet. Voor mijn gevoel om een uur of half negen.

E. gaat nog mee, zie haar steeds vager worden tot ze er niet meer is. Weggestuurd? Nog meer verplegers, dokters langs de wand, wel tien, twaalf, onder wie twee vrouwen met glad strak haar. Ze willen iets van me, ik weet niet wat.

Zo benauwd, nog steeds op de hartbewaking. Ik sta op van m’n bed, waar ik niet echt op lag, wil weg, dat mag niet, word tegengehouden, teruggeduwd.

Weet niet meer wat ik mag doen, wat moet je zelf voor je lichaam verzinnen. Geen controle meer over je eigen bewegingen. Moet ik in een rolstoel gaan zitten, halen ze een brancard?

Later rijden we door te lange gangen ergens anders naartoe, weet niet waarheen. Niemand zegt er iets over. Ik vind het normaal. Over het weer heb je ook niets te zeggen en toch gebeurt er iets van, zo’n soort gevoel.

Beland op intensive care, de ernst van de plaats dringt niet tot me door. Een ruimte met twee glazen wanden, haaks op elkaar. Vanuit een kantoortje kan een verpleegster je in de gaten houden. In de andere ruimte lopen verpleegkundigen heen en weer, pakken iets, maar er liggen geen zieken, zover ik kan zien.

Zwaai naar een man achter het raam, omdat hij niet op m’n bellen reageert. De eenvoudigste dingen worden een probleem. Een vinger wordt een lampje om je zuurstof na te gaan. Ik kan niet bij de doos met zakdoekjes, paar meter van me af.

Dacht altijd kan het wel omzeilen, als ik er al aan dacht. Toch komt het. Je denkt ’t niet maar alles zal je overkomen. Denk na over wat (bij)komstig is. Komstig zonder bij. Een hoofdzaak is komstig, bij erbij en het wordt minder. Het valt me pas op in het ziekenhuis.

Het voorgaande nog ’s avonds, toen ik net op de IC was. Volgende dag hoor ik wat m’n ziekte ongeveer inhoudt. Geen corona, dat is begin maart nog niet zo’n gevaar. Wel A-griep met longontsteking, die twee bij elkaar kan het hart nauwelijks nog bijbenen. Het pompt en pompt maar, zo wordt me verteld. Of is het iets anders?

Men vreest voor m’n leven, begreep ik pas later. Geliefde en dochters weer gewaarschuwd. Van alles schiet me te binnen, ben immers niet bang. Mijn lichaam redt het misschien niet, maar ik wel. Wat ik denk kan niemand in beslag nemen. Het wordt heftiger.

Zo wil ik iets afbellen waarvoor nog een afspraak moet worden gemaakt. Nee, 3 maart 2021 lig ik in het ziekenhuis, kan er nog niet bij zeggen voor wat.

„Hoe weet u dat?”

„Waarom zou ik het niet weten.”

’s Morgens kijk ik vanuit mijn bed door het raam naar de ruimte tussen een aantal gebouwen. Wat te denken om jezelf te vullen. Je hoeft er niet eens moeite voor te doen.

Vriendschap is het aanvaarden van elkaars fouten. De verpleegkundigen lijken op elkaar of niet. Je weet het niet. Elk gelaat wordt door een mondkapje bedekt. Hun ogen vragen om een gezicht.

Naakt in de regen. Naakt in het bad. Halfnaakt in een trein. Als niets je meer verlaat. Alles niet nog. Op wacht. Iets denken om jezelf te vullen. Buiten veel vogels. Eerst dino’s toen vogels. Duif, dino. Een steen met vleugels zeilt voorbij.

„Wilt u roomboter of margarine?”, vraagt men vlak bij m’n bed. Hoelang margarine niet gehoord, noch uitgesproken. Niet meer geloven in een algemeen realiteitsbesef.

„Buiten vliegt een steen”, zeg ik zacht.

„Met vleugels zeker”, ze heeft me verstaan.

„Ja.”

„Ja, ja”, ze kijkt nog even om, neemt het ernstig op. Vernevelen is een woord dat ik sinds vannacht ken. Waterdamp naar je longen, hoor het steeds weer, vernevelen, in haar teruggetrokken schoonheid.

Tegenover m’n bed een kastje uit de jaren dertig, post-art deco, zo ziet het eruit. Waarom staat het hier. Ik vraag wat er in de laatjes zit. Ze laat het zien.

Infusievloeistoffen. Verband. Flesjes voor verzorging handen. Polsbanden soft. Handschoenen. Drukzakken. Bloedafnamespuiten. Dozen met ECG-plakkers. Veel merk Johnson. Is mijn schouder de wereld, de taal. Je hele lichaam bestuurd door iets anders. Wat?

Hoe heet je, vraag ik een paar keer. Mireille, twee keer Maril, of is het dezelfde. Je komt de routes in je lijf te weten. Blijf hier maar kort. Weer naar de hartbewaking, waar ik gisteravond naartoe werd gereden. Een verpleger trekt me, word ik ook geduwd of is hij sterk genoeg.

We gaan de lift in. Geen spiegel waarin ik achter me kan kijken. Gaan er alweer uit. Als iemand me duwt, doet hij dat wel heel voorzichtig. Het aan m’n zichtbare begeleider vragen?

Ik doe het maar en vrijwel meteen word ik de hartbewaking op gereden en komt ze tevoorschijn, de verpleegster die naar m’n steen met vleugels heeft geluisterd. Nu heeft ze me geduwd en verdwijnt alweer.

Nog steeds erg benauwd. De zieke robot ligt voor een wand waarop elektronisch lichaamsuitslagen worden gegeven, hartritme, bloeddruk, zuurstof en wie weet wat nog meer.

Ik verwijl op de taal. Wat rest me. Papieren bekertjes staan in een ziekenhuis niet stil. De verkiezing van God, toch met het boek doorgaan. Koele lakens tegen je polsen. E. probeert nog ergens achter te komen, ook een ziekenhuis is een roddelgebouw.

Deze kamer heeft geen wc. Moet nu opstaan en een handfles pakken. Even wachten. Benauwdheid die zijn weerga niet kent. Toename neemt af of afname neemt toe. Kan niet meer uitrekenen wat het betekent.

Corona in de stad, het begint me te dagen. Bom gevallen, maar waar, overal kans op splinters. Leefverbod. Niets meer doen, zoiets schijnt het te zijn. De straten leeg, als bij De Chirico.

De wereld valt stil, tot rust veroordeeld. Het dringt tot me door. Samen eten verspreid over drie buurten. Gesprek met een dokter na onderzoek.

„Je luchtpijp is te smal.”

„Hoezo?”

„Te smal.”

„En ik leef er al 83 jaar mee.”

„Je merkt het een beetje te laat.”

Toevalsaanrakingen van een verpleegkundige, een arts, het spaarzame bezoek. Dat je niet alleen bent. Word je beter dan ben je weer eigenaar van je taal. Het half uitgevlakte gezicht van Helene Schjerfbeck.

Als ik er nu toch aan ga, heb dit niet bedacht. Het leven zelf, cadeau gekregen. Niet bang, of ik boven mijn eigen sterfelijkheid sta, dit na je verdwijning. Haal de kinderen, ze komen al. De taal sterft niet.

Uitzicht op een rivier, toch de Amstel? Spreek ik mezelf tegen, zie het water niet, een vlaag spreeuwen, nee, een zwerm moet het zijn. Is een vlaag niet gevaarlijker?

Verbeter de zin, het bestaan, vogels rukken op naar luchten waar niets is. In het kleed van zwart vallen steeds andere gaten. Het zijn spreeuwen waarin een eeuw het zoveel beter doet dan bij een meeuw, honderd jaar en dan vlug de M van duizend ervoor geplakt. Facebook kan de griep krijgen.

Een vogelveld dat verandert, zich tot in de punten aandient. Dan zweven de hoeken steeds verder van elkaar tot ze in elkaar zwermen, gaan de zinnen zich in een lus herhalen, ontstijgt wat zich niet vast laat leggen. Alleen nog een vliegende komma, een punt. Een steen met vleugels voegt zich ertussen.

Illustratie Pepijn Barnard

Wie je niet mag zien. Ergens wordt gescharreld met namen. Hartfalen, pompfunctie 33 procent, moet 60 procent zijn. Vochtbeperking, anderhalve liter. Weinig zout. De ziekte van de taal. Hoe anderen me zien in het gezicht van de +. Als geïsoleerde, acht dagen lang, uitgeschakelde.

Een nacht zonder slaap. Wat denk je in afgeknotte vorm. Blijft alles hetzelfde zonder dat het is weggeweest. Komt iemand voorbij achter de glazen wand. In het halfdonker, zal hij naar binnen gaan, nee, niet.

Afstanden op het lichaam. Rentenier van eigen gronden, als rente het leven zelf. Het punt bereikt dat het niet meer uitmaakt wat er gebeurt. Het jaar dat er niet meer is.

Een opera misschien, ja, een opera. Concertgebouw, orkest. De dirigent bij een bed met patiënt, wat hoger omgeven door twintig verpleegkundigen. Heeft het lijf een ziekte nodig om de tegenstelling?

KOOR VAN VERPLEEGKUNDIGEN

(mondkapjes, witte kleding)

Wat heeft-ie dan…

DIRIGENT (bij patiënt)

Hij weet het niet.

KOOR (links)

Hij weet het niet

KOOR (rechts)

Hij weet het niet.

KOOR (geheel)

Hij weet het niet… (vlug) hij weet het niet… (vlugger) hij weet het niet.

De patiënt gaat verliggen. Het kraakt door de muziek heen.

DIRIGENT

„Wilt u soms even in een stoel zitten?”

PATIËNT (zacht)

„Het gaat wel.”

Dirigent buigt zich over de patient. Om het bed infusen, tafeltjes met medicijnen. Filmscherm boven het koor.

KOOR

Weet u het al?

Dirigent luistert met stethoscoop naar het hart van de patiënt.

KOOR

Weet u het.

DIRIGENT

Nog niet… (wacht even, luistert door) nog niet, nog niet…

KOOR

Hij weet het vast… hij weet het vast…

DIRIGENT (op scherm)

Hij heeft…

KOOR

Ja, wat heeft-ie?

DIRIGENT

Hij heeft…

KOOR (kortaf)

Zeg het nou.

DIRIGENT (tot het koor)

Hij heeft de ziekte van de taal.