Op een persconferentie op 9 juni 1982 legde de Franse president François Mitterrand voor het eerst uit dat „het tekort 3 procent is” en dat het „dit percentage, van het bbp, niet mag overschrijden”.

Foto Daniel Simon / Getty Images

Interview

'3-procentsnorm heeft geen economische basis. Het is een politiek getal'

Guy Abeille EU-landen laten de 3-procentsnorm op het begrotingstekort los. Dat getal is gebaseerd op toeval, vertelt Guy Abeille.

De coronacrisis is zo’n schok voor onze economieën dat de Europese ministers van Financiën in maart besloten om soepel te zijn met de begrotingsregels. Sindsdien pompt iedereen geld in de economie en hoor je niemand meer over de 3 procent, het maximale begrotingstekort. Hoe erg is dat? Kunnen we daar ooit weer naar terug, of hebben we een nieuw systeem nodig? NRC vroeg het Guy Abeille, een van de ‘uitvinders’ van de 3 procent.

Stond u echt aan de wieg van de 3 procent?

„Ja, met een collega. We werkten op het ministerie van Financiën in de Rue de Rivoli, hij als fonctionnaire, ik op contractbasis. Elke maand hielden we de inkomsten en uitgaven van de overheid bij en berekenden we het tekort aan het eind van het jaar. Dat sommetje landde dan diverse etages hoger bij de minister. Op een dag in 1982 moesten wij tweeën bij de directeur-generaal komen. François Mitterrand was een jaar president. Voor zijn aantreden in 1981 was het tekort 30 miljard. Na zijn aantreden steeg het tot 55 miljard, bijna het dubbele: Mitterrand verhoogde lonen en nationaliseerde bedrijven. En zomer 1982 kwam ineens 100 miljard in ons vizier. Dat was enorm.”

Sloeg u alarm?

„Welnee. Niemand lette in die dagen op begrotingstekort of schuld. We keken naar de frank, die alsmaar zwakker werd, en naar inflatie. Het probleem was alleen dat Mitterrand op de huid werd gezeten door de oppositie. Als hij zou melden dat het tekort driemaal zo hoog was als in 1981, zouden ze gehakt van hem maken. Dan moesten we misschien wéér devalueren. 100 miljard klonk gruwelijk. Het was dus eerder een, eh…”

...politiek communicatieprobleem?

„Exact. Ze zochten een formule, zodat Mitterrand het anders kon zeggen. Daarom ontbood de directeur-generaal ons. Wij opperden: laten we het koppelen aan het bbp.”

Deden ze dat in andere landen?

„Nee, nergens. Niemand had begrotingsnormen of plafonds. Zelfs Duitsland niet. We probeerden gewoon iets. Het bbp was 3.300 miljard, het tekort liep tegen de 100 miljard. Dus er kwam een mooi, clean getal uit: het tekort was net onder de 3 procent van het bbp. Als Mitterrand het zo zou zeggen, zou het zakelijk en kundig klinken. Precies wat hij wilde.”

Dus de directeur-generaal nam uw plan over?

„Het was geen plan. We hadden niets op papier. Het was een formuletje dat we in een uur hebben bedacht. Het was zo simpel dat het bleef hangen.”

Zelfs bij een politicus.

„U lacht, maar dat was precies het idee. Politici willen eenvoud. Dit wás eenvoud. President Mitterrand gebruikte het. Begrotingsminister Fabius haalde er de Herald Tribune mee. De ophef bleef uit. De oppositie deed er niets mee. De pers schreef ineens over het tekort als percentage. Zo werd die 3 procent een institutie. En een norm. Mitterrand herinnerde de regering er soms aan om ‘de limiet van 3 procent te respecteren’.”

Is 3 procent een arbitrair getal?

„Ja. Het heeft geen economische basis. Het is een politiek getal.”

Toch verscheurde het in 2012 bijna de eurozone.

„Zo gaan die dingen: eerst malen mensen niet om het begrotingstekort. Vervolgens zien ze niets anders meer.”

Hoe werd 3 procent een Europese norm?

„Begin jaren negentig tuigden de regeringsleiders één Europese munt op. Toen al wilden noordelijke landen begrotingsdiscipline, uit angst voor Italië, dat zich vanaf de jaren zeventig diep in de schulden had gestoken. Voor het verdrag van Maastricht, tijdens een vergadering in Den Haag, zei Jean-Claude Trichet, destijds hoge ambtenaar op Financiën: Wij hebben in Frankrijk een limiet van 3 procent, en die functioneert goed. Oké, zeiden de anderen. Zo is het de Europese norm geworden. En later een mondiale norm.”

Mondiaal?

„Israël, India en andere landen gebruiken die 3 procent ook.”

Het waren dus niet de Duitsers die deze limiet voorstelden?

„Nee, de Fransen. Trichet heeft dit verhaal meermalen verteld. Hans Tietmeyer, oud-president van de Bundesbank, bevestigde dit in zijn boek Herausforderung Euro. De limiet voor staatsschuld, 60 procent van het bbp, werd meer in overleg bepaald. Italië had 100 procent, toen al. De meeste landen zaten op 40 procent. Duitsland zat, door de hereniging, op 55. Zij zeiden: laten we 60 procent doen.”

Dus ook dat is arbitrair?

„Ja. Elk land zat in een totaal andere situatie, en had andere berekeningen. We vergeleken choux et carottes, appels met peren. Bovendien blijft het vreemd dat je een foto neemt van een bepaald moment en dat je daar decennia aan vasthoudt.”

Had het ook 70 procent kunnen zijn?

„Zeker. Toch werden die 3 procent en 60 procent, naarmate de tijd verstreek, steeds harder. Bondskanselier Kohl hamerde erop dat de euro ‘stark wie die Mark’ moest zijn. Ik hoor hem nog in de Bundestag zeggen dat de begrotingslimiet ‘drei komma null’ was. Eerst was het vooral een toetredingscriterium voor nieuwe eurolanden. In 1996 werd het vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact en ging het permanent gelden voor alle eurolanden, met sancties en al. Tijdens de eurocrisis werden beide limieten in beton gegoten, in een sixpack en een twopack.”

Nu gaat iedereen over die limieten heen.

„Ja, maar buiten zijn schuld. Dit is niet de eurocrisis. Daarom zijn de limieten nu op ijs gezet.”

Gaan we terug naar de 3 procent?

„Voorlopig kan dat niet. Maar op den duur moet je wel iets hebben. Dat is het gekke: 3 procent is een arbitrair getal, maar we kunnen ook niet zonder.”

Hoe lossen we dat op?

„Misschien moeten we een beter systeem bedenken. 3 procent hoeft niet overboord, maar nu is het te veel one size fits all. Je kunt dat oplossen door drie categorieën te gaan onderscheiden. De eerste, dat zijn noodzakelijke uitgaven die elke staat nationaal met zijn inkomsten financiert: justitie, uitkeringen, onderwijs, enzovoort. Daar kun je streng in zijn: 3 procent, basta.

„De tweede categorie, dat zijn conjuncturele uitgaven, zoals die voor de coronacrisis. Je moet die per twee, drie jaar bekijken. Europese landen moeten samen inschatten welk land wat nodig heeft. Dan zeg je: Duitsland mag een tekort van 4 procent opbouwen, Italië is hard geraakt en mag tijdelijk naar 7 procent. Enzovoort. Je berekent het per land. Geen appels en peren meer.”

En de derde categorie?

„Dat zijn strategische Europese uitgaven, voor het algemeen belang. Iedereen begrijpt dat Europa slagkracht moet krijgen in de wereld. Iedereen wil dat ook. Maar dan moeten landen daarin investeren. Nu doen ze dat niet, vanwege het stigma en de sanctiedreiging.”

Kan dat zonder Europese inkomsten, zoals milieu- of digitale belastingen?

„Nee. Die hadden we allang moeten hebben.”

Moet ‘tekort’ een positievere lading krijgen?

„Tekort betekent nu: ‘Die kan zijn zaakjes niet managen.’ Soms klopt dat. Maar er zijn ook gewenste tekorten. Neem investeringen in Europees onderzoek. We beknibbelen daarop. Het duurt jaren voor je rendement hebt. Maar Amerikaanse en Chinese bedrijven zijn nu machtiger dan Europese. Het zou leuk zijn als mensen zien dat niet alleen sparen, maar ook geld uitgeven een deugd kan zijn.”

Nationaal begrijpt men dat makkelijker dan Europees.

„Ik begrijp dat veel Nederlanders Italië niet vertrouwen. Maar de grootste fouten daar zijn gemaakt in de jaren 1975-1996. Dat heeft niets met deze pandemie te maken. Het is goed als Europese landen Italië nu met Europese subsidies helpen, en het niet op te zadelen met extra schuld of sancties.”