Ik fietste: mijn moeder wilde me afharden

De Golf | Aflevering 3

Met het oog op de zeespiegelstijging kochten schrijver Bruno en academica Loes een woonschip. Een feuilleton van Afl. 3
Illustratie Olivia Ettema

‘Vroeger keek Loes tegen me op”, vertelt Bruno tijdens zijn tweede therapiesessie. „Toen we elkaar leerden kennen was ze een beetje muizig, echt zo’n studente Nederlands. Ik was dertig, had mijn eerste roman gepubliceerd en gaf er een lezing over op de literaire vereniging van haar universiteit. De filmrechten waren net verkocht, ik liep een beetje naast m’n schoenen, denk ik. De meisjes zagen me wel staan. Tweedejaars was ze. Ze had iets waardoor het bloed uit mijn hersens naar beneden zakte. Nu zou ik dat denk ik klasse noemen. Je hebt jaren nodig om te zien hoe ze echt is, maar het kostte me maar tien seconden om te weten dat ik haar wilde.

We zijn allebei ambitieus, dachten niet echt aan een gezinnetje, maar vorig jaar hebben we op de valreep nog een zoontje gekregen. Olivier. Hoe onze dagen er nu uitzien? Hij maakt ons ’s ochtends om half zes wakker. Dan geeft Loes hem de borst en daarna slapen we weer tot kwart over zeven. Dan rent zij naar het koffiezetapparaat en geef ik hem een schone luier. Zij kan niet tegen de stank. Ze denkt dat de geur van Nivea de enige is waarvoor haar neus is bedoeld.

Je hebt jaren nodig om te zien hoe ze echt is, maar het kostte me maar tien seconden om te weten dat ik haar wilde

Om kwart over acht springt ze op de fiets, met haar laptoptas over haar schouder en een rode veeg lippenstift. In de hoogste versnelling naar de geschiedenis van de twintigste-eeuwse letterkunde. Ik blijf achter met de baby die volstrekt in het heden leeft.

Had ik al gezegd dat we op een boot wonen? Heel mooi, met gras ervoor, en een weiland erachter. Er staat een ontzettend rechte boom, die ’s winters helemaal kaal is, met donkere takken die scherp tegen de lucht afsteken.

’s Ochtends hangt er zo’n lage mist. Ik ken dat nog van vroeger, toen ik elke dag vierentwintig kilometer naar school fietste, ongelogen waar. Alle kinderen gingen met de bus, maar mijn moeder wilde me afharden. Ze was zelf als kind te veel binnengehouden, haar gezondheid was niet goed. Ik ben opgegroeid in het vroege zonlicht van ontkiemende kansen.

Er gaat niks boven ons dek. Als het overal snikheet is, zijn daar altijd wel kleine windvlaagjes. Het is een binnenvaartschip uit 1925. De Woutje. Heb je verstand van boten?” Hij kijkt Job in zijn diepliggende ogen. Weer valt hem op hoe leeg zijn gezicht is. Hij zou een bril moeten dragen om het wat op te vullen.

„Loes denkt dat het niet goed met me gaat. Ik ontken niet dat er iets gaande is bij mij van binnen. Misschien is het de corona die me ontregeld heeft. Ik heb trouwens een steekhoudende theorie over de tweede golf. Heb je interesse? Ik vraag het maar. Jij hebt zeker al die tijd gewoon kunnen werken?

Loes geeft sinds maart alle colleges online. Ik zeg steeds: doe dat nou vanaf thuis. Maar ze gaat elke dag gewoon naar haar kantoortje op de universiteit, ook nu, tijdens de vakantie. Behalve dinsdags, daarom kan ik dinsdags hier naartoe.

Wat ik erbij voel? Ze raakt daar deurknoppen aan. Ik weet niet of ze ook mensen ziet. Ze zegt van niet. Maar ze zegt ook dat ze zichtbaar moet zijn als ze promotie wil. Dat is natuurlijk zo. Maar voor wie, hè?”