Reportage

Hoe bleven coureurs scherp genoeg om de snelste racewagens ter wereld te besturen?

Formule 1 Na zeven stille maanden stapten de coureurs weer in een F1-auto. Ze hielden zich scherp in karts en met racesimulatoren in huis.

Teams bereiden zich voor op het circuit in Oostenrijk.
Teams bereiden zich voor op het circuit in Oostenrijk. Foto Joe Klamar/Reuters

Voordat er zich afgelopen weekend ook maar één Formule 1-auto op het circuit had begeven, was er al een record gesneuveld. Nooit eerder zat er zo veel tijd tussen twee grands prix: 217 dagen. „Als we weer in de auto stappen”, had Lewis Hamilton tijdens de corona-onderbreking gezegd, „zijn we waarschijnlijk zo roestig als wat”.

Als er geen races zijn, wordt er ook daadwerkelijk geen meter gereden met F1-auto’s. Teams mogen uit kostenoverwegingen geen eigen test- en oefensessies organiseren. Toen de coureurs in Oostenrijk instapten voor de eerste race van het seizoen, hadden ze dus, op een paar officiële testdagen in februari na, al zeven maanden niet in F1-materieel gereden.

Hoe houd je je als coureur tijdens zo’n lange onderbreking scherp genoeg om de snelste racewagens ter wereld te besturen? En hoe zwaar is het fysiek om na ruim een half jaar weer te gaan racen?

„Het belangrijkste”, zei winnaar in Oostenrijk Valtteri Bottas twee weken geleden, „is om te blijven rijden”. De Fin bestuurde tijdens de coronabreak naar eigen zeggen elke week wel iets snels. „Of het nou een kart was of een rallyauto.” Ook andere coureurs werden op de kartbaan gesignaleerd. Lando Norris en Alexander Albon regelden onlangs zelfs een bijspijkerdag in een Formule 3-auto.

Een auto op topsnelheid door de bochten jagen op zo’n manier dat hij er nét niet uit vliegt – daar draait racen om. De kleinste slingers van de auto moeten de coureurs razendsnel corrigeren, iets waarvoor ze een feilloos gevoel voor de grip van de banden nodig hebben. „Je reactievermogen en je gevoel kun je op peil houden door in andere auto’s te rijden”, zei Bottas. „Maar niets komt in de buurt van een Formule 1-auto.”

Computerracen

Terwijl ze vanwege coronacrisis noodgedwongen thuis zaten, gingen veel coureurs de digitale racebaan op. Onder anderen Norris, Charles Leclerc en Romain Grosjean klommen thuis in racesimulatoren van duizenden euro’s, aangedreven door krachtige pc’s en compleet met racesturen, pedalen en reuzenbeeldschermen. Max Verstappen, al langer een fervent computercoureur, deed mee aan een cyberversie van de 24 Uur van Le Mans.

Bekijk hier een online race van Max Verstappen en Lando Norris:

Het stuur van zo’n thuissimulator trilt bij elke hobbel in het asfalt, voelt zwaar in de snelle bochten en wordt juist licht als de auto begint te glijden. „Het gevoel komt heel dicht bij de realiteit”, vertelt coureur Daniel Juncadella in een Skypegesprek. De Spanjaard was testrijder in de Formule 1, reed in het populaire DTM-sportwagenkampioenschap en zit thuis dagelijks in zijn race-sim. „De wegligging van de auto’s is erg goed nagebootst.”

Eén belangrijke factor ontbreekt echter bij het computerracen: de g-krachten. In het echt helpen die de coureur intuïtief aanvoelen wat de auto doet. „Als de achterkant van de auto uitbreekt, voel je dat eerst met je kont, en dan pas in het stuur”, zegt Juncadella. Een simulator is minder natuurlijk. „Je moet zelf voorspellen wat er gaat gebeuren.” Bovendien mis je bij simracen de adrenaline. „200 kilometer per uur gaan, weten dat het over is als je een muur raakt – dat is moeilijk te simuleren.”

Driehonderd online races

Toch kan de computer coureurs helpen scherp te blijven, denkt Juncadella. Vooral als ze via simulatiegames als iRacing en rFactor 2 meedoen aan internetraces tegen echte tegenstanders. „Zo oefen je daadwerkelijk voor echte wedstrijden. Zelf heb ik de afgelopen tijd driehonderd online races gereden. Dat betekent dat ik ook driehonderd keer de start en de pitstops heb gerepeteerd.” Niet alle coureurs zijn overigens fan van simracen: Lewis Hamilton heeft er niets mee.

Toen de coureurs hun computers eindelijk weer konden verruilen voor echte auto’s, moesten hun lichamen, en met name hun nekken, voor het eerst in maanden de g-krachten opvangen die onder het remmen en in de bochten vrijkomen. Zo’n eerste dag in de auto is altijd zwaar.

Lees ook: Virtueel racen in de VS dankzij corona: vol gas op zolder of in de garage

„Iedereen heeft het moeilijk”, zei Norris (20) tijdens de wintertests in februari, toen er drie maanden niet was gereden. „Vettel, Hamilton, Verstappen – na een paar uur konden ze allemaal hun hoofd niet meer recht houden.” Afgelopen weekend gaf ook George Russell (Williams) toe dat het „even duurde” voor hij gewend was aan de g-krachten.

In de sportschool kun je je nooit 100 procent voorbereiden op het besturen van een F1-wagen. „Het is onmogelijk om alle krachten die vrijkomen na te bootsen”, vertelt Gerry Convy, die persoonlijk trainer was van F1-topcoureurs als Fernando Alonso en David Coulthard. „Het is net als met voetballers”, zegt Convy op Skype. „Pas als die wedstrijden gaan spelen, worden ze echt fit.”

Desondanks leidt het fysieke ongemak van de terugkeer achter het stuur hoogst zelden tot problemen, zoals crashes of spins. Convy heeft er bij zijn cliënten nooit iets van gemerkt. „Als je echt niet fit bent, dan kun je niet in zo’n auto rijden. Het zijn allemaal professionals.”

Maar ook een professional als Bottas is onder de indruk van de macht van een F1-wagen, als hij er zo lang niet in heeft gezeten. „Dit gevoel”, zei hij terwijl hij zaterdag na de kwalificatie zijn van opwinding trillende handen aan de camera toonde, „heb ik gemist”.