‘Ik heb dit huis herbouwd voor een nieuwe generatie Mustafic’

25 jaar Srebrenica Zes jaar geleden verhuisde Mehida Mustafic, de bekendste weduwe van Srebrenica, terug naar de plek van de genocide. Ze vond er niet de rust waar ze op hoopte. „Jongeren worden gevoed met dezelfde ideologie van haat.”

Mehida Mustafic: „Ik heb nooit een andere liefde gehad dan Rizo. Hier kan ik elke dag naar zijn graf om hem te vertellen over ons huis en onze kinderen.”
Mehida Mustafic: „Ik heb nooit een andere liefde gehad dan Rizo. Hier kan ik elke dag naar zijn graf om hem te vertellen over ons huis en onze kinderen.” Foto Midhat Poturovic

Terugkeren naar Srebrenica was zowel thuiskomen als een overwinning. Bijna twintig jaar nadat haar man verdween en zij met hun drie kinderen naar Nederland vluchtte, besloot Mehida Mustafic terug te verhuizen naar het toneel van de enige Europese genocide in de naoorlogse geschiedenis. Naar de plek waar meer dan achtduizend Bosnische moslimmannen en jongens in een paar dagen in juli 1995 werden opgejaagd, gescheiden van hun vrouwen en kinderen, afgevoerd en op verschillende plekken geëxecuteerd door Servische nationalisten. Vijfentwintig jaar later worden er her en der in het door Serviërs gedomineerde gedeelte van Bosnië en Herzegovina nog steeds lijken en lichaamsdelen gevonden.

„Ik was zo gelukkig om hier weer te zijn. Terug waar ik thuishoor. Het vervulde mijn ziel”, zegt Mustafic (63), haar benen onder zich gevouwen op de bank in haar heropgebouwde huis. In de bocht bij de rivier, waar na de oorlog alleen de buitenmuren nog overeind stonden, herrezen vier verdiepingen – hagelwit gepleisterd. Nog trotser is ze op haar moestuin, waar snijbonen, bieten en frambozen („pluk maar”) groeien. „Deels betaald met het kleine bedrag van de zaak in Nederland”, zegt ze met een glimlach.

Tijdlijn van de oorlog in het voormalige Joegoslavië en de nasleep van de val van Srebrenica 1991-2020

Mustafic en haar kinderen klaagden de Nederlandse staat aan omdat de landmachtmilitairen die in 1995 namens de Verenigde Naties verantwoordelijk waren voor de veilige enclave die Srebrenica had moeten zijn, faalden Rizo Mustafic te redden toen de Serviërs het gebied overmeesterden. Hij had als elektricien in dienst van Dutchbat bijzondere bescherming moeten krijgen, maar werd weggestuurd. Na elf jaar procederen oordeelde de Hoge Raad in 2013 dat Nederland aansprakelijk was voor zijn dood. Mehida ontving daarvoor een schadevergoeding.

Een jaar later besloot ze te remigreren. „Ik was uitgeput in Nederland, het was niet mijn plek.” Dus toen de rechtszaak was gewonnen, haar jongste dochter het huis uit ging en het lichaam van haar man was gevonden en herbegraven, was het tijd. „Ik heb nooit een andere liefde gehad dan Rizo. Hier kan ik elke dag naar zijn graf om hem te vertellen over ons huis en onze kinderen.” Ze laat alledaagse berichtjes voor hem achter in het gastenboek van de begraafplaats.

Spijkerbed voor het geheugen

Zo’n zevenduizend slachtoffers zijn inmiddels gevonden en herbegraven in Potocari, tegenover het oude Dutchbatkamp waar een tentoonstelling is ingericht. Daar waar nu de duizenden identieke, witte obelisken in het golvende landschap staan – rijen grafstenen als een spijkerbed voor het collectieve geheugen – zag Mehida haar man 25 jaar geleden voor het laatst.

Het gezin Mustafic zocht net als bijna alle vluchtelingen dekking bij Dutchbat toen het Bosnisch-Servische leger de VN-enclave na ruim drie jaar oorlog opnieuw onder vuur nam en binnentrok. Maar ze mochten niet op de compound blijven en werden opgedeeld naar geslacht en leeftijd. „Ik heb geen afscheid van Rizo genomen, omdat ik me vooral zorgen maakte over de kinderen. Mijn oudste dochter Alma, een prachtige meid die verkracht zou kunnen worden, probeerde ik achter mijn rug te verstoppen. Mijn zoon Damir, maar iets kleiner dan de mannen die werden afgezonderd, liep gevaar. Mirsada, de baby, was ontroostbaar omdat ze de speelgoeddinosaurus die ze van Dutchbatmilitairen gekregen had in de chaos was verloren.” Dat ze Rizo nooit meer levend zouden zien, kwam niet in haar op, hij hoorde immers bij de Nederlandse soldaten. „Ik was ervan overtuigd dat hij zou overleven. En dat hij ons waar dan ook ter wereld zou vinden.”

Pas zestien jaar later, toen ze de botten moest identificeren die waren gevonden in een massagraf ruim vijftig kilometer hier vandaan, besefte ze „dat er geen hoop meer was”. Haar eerder zo geanimeerde stem zakt in volume. Achter haar vlinderbril drukt ze haar vingers in haar ooghoeken. Een paar tranen ontsnappen toch.

Onbegrepen en onwelkom

In de bange weken voor de val van de enclave had Rizo tegen haar gezegd: „Dit kloteland bestaat niet meer. Ik wil dat je vertrekt en de kinderen redt.” Nederland voelde logisch om naartoe te gaan. Daar waren de mannen met wie haar echtgenoot had samengewerkt. Daar hoopte ze op steun en begrip voor het trauma van de genocide. „Als er één land was waar mensen zouden begrijpen wat hij had meegemaakt, moest het Nederland zijn.”

Dat viel tegen. Ze zat anderhalf jaar in asielzoekerscentra in Hoogeveen en Leersum voordat ze settelde in het Utrechtse Renswoude. Terwijl haar kinderen Nederlanders werden, leerde zij de taal nooit perfect. Ze kon niet werken als architect, zoals ze voor de oorlog was geweest. Ze voelde zich vaak onbegrepen en onzichtbaar. „Ik werd behandeld alsof ik debiel was.”

Ondertussen leek Srebrenica de genocide min of meer te boven gekomen. Het stadje en de vele omliggende dorpen zullen nooit meer de 36.000 inwoners krijgen die er woonden toen dit nog Joegoslavië was en er overwegend Bosniaks (etnische moslims) woonden. Maar duizenden overlevenden zijn teruggekeerd. En jonge gezinnen – zowel Servisch als Bosnisch – werden aangetrokken door het internationale geld dat hier in wederopbouw en werk geïnvesteerd is. „Tijdens vakanties zag ik dat de stad potentie had.” De kwaliteit van leven is hier beter dan op veel andere plekken in de bergen van Bosnië. De dorpen zijn volledig gesegregeerd, maar in Srebrenica wonen de twee etniciteiten weer naast elkaar in ongeveer gelijke aantallen.

Interview Thom Karremans: ‘Als commandant moet je lef hebben’

Naar het stadje waaruit zij in 1995 in een overvolle bus vol vrouwen en kinderen werd gedeporteerd, kon ze met spullen voor haar herbouwde huis terugkeren. Het pand dat ze tijdens de oorlog soms deelde met veertig vluchtelingen – „een gezin in elke kamer, mijn man hielp altijd iedereen” – bewoont ze nu alleen.

Het is fysiek en mentaal belangrijk voor Mehida Mustafic om in Srebrenica te wonen. „Mijn herinneringen zijn hier”, is haar simpelste verklaring. De gelukkigste: aan hoe ze eind jaren zeventig verliefd werd op Rizo en hun leven samen. En de donkerste: die alleen de mensen die ook zijn teruggekeerd echt kunnen begrijpen.

Haar keuze had evenzeer te maken met de toekomst als met het verleden. „Ik heb dit huis weer opgebouwd voor een nieuwe generatie die Mustafic heet en hier in vrijheid kan leven”, zegt ze, wijzend naar een foto van een van haar kleinzonen. Wanneer hij haar bezoekt, is dat hét bewijs dat de genocide, de etnische zuivering om alles wat niet-Servisch was hier te vernietigen en te verdrijven, niet is geslaagd. Dat het kwaad heeft niet gewonnen.

Griezelend op de bank

Maar Mehida Mustafic vond in Srebrenica niet de rust waar ze op hoopte. „Het eerste wat ik hier liet aanleggen waren de bewakingscamera’s, want echt veilig ik voel me niet.” En ze is „teleurgesteld en geschrokken” van hoe Srebrenica zich de laatste jaren ontwikkelt. Afgelopen januari zag ze vanaf deze bank een luidruchtige stoet auto’s voorbijtrekken die haar deed griezelen. Buren vierden het orthodoxe kerstfeest met nationalistische liederen en vlaggen. „Symbolen van diezelfde ideologie waardoor mijn echtgenoot is vermoord.”

Foto Midhat Poturovic

Het Servische nationalisme is op veel plekken in de stad zichtbaar. Weken na de verkiezingen in buurland Servië staat er nog steeds een gigantisch reclamebord van Aleksandar Vucic, de huidige Servische president. Vucic, destijds een jonge parlementariër, riep enkele dagen na de val van de enclave in 1995: „Voor elke vermoorde Serviër, doden we honderd moslims.” Nu hangt hij hier als een idool. „Ter provocatie”, zegt Mustafic.

Dat wat in de zomer van 1995 in Srebrenica gebeurde een genocide was, is vastgesteld door het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag. Verschillende Bosnisch-Servische leiders, zoals Ratko Mladic en Radovan Karadzic, zijn ervoor tot levenslang veroordeeld. De voetsoldaten zijn dat niet. Mustafic maakt zich niet zozeer zorgen over oorlogsmisdadigers die nog vrij rondlopen. „Dit is een dorp, je komt soms mensen tegen van wie je weet dat ze betrokken waren bij de genocide. Het heeft geen zin om problemen op te rakelen. Zij zullen nooit meer voor een rechter verschijnen.” Haar angst geldt voor de nieuwe generatie. „Jongeren worden gevoed met dezelfde ideologie van haat. Ouders die betrokken waren vertellen hun kinderen niet de waarheid. Ze ontkennen niet alleen de Servische verantwoordelijkheid, ze spreken tegen dat er überhaupt een genocide op moslims heeft plaatsgevonden.”

Het ontkennen van genocide is de laatste fase van het uitwissen van mensen die ‘anders’ zijn. En daar zal Mehida Mustafic zich de rest van haar leven tegen verzetten. Na het winnen van de zaak tegen de Nederlandse staat, is ze de strijd aangegaan met het herdenkingscentrum in Potocari omdat haar echtgenoot geen rol speelt in de tentoonstelling. „Ik ben daar boos over, omdat het zo lijkt alsof Rizo nooit heeft bestaan. Zonder zijn verhaal is het beeld niet compleet.”

Foto Midhat Poturovic