Aura Timen, Hoofd Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding van RIVM.

Foto Bram Petraeus

Interview

‘Ik maak me het meeste zorgen dat mensen de maatregelen niet vasthouden op vakantie’

Aura Timen | Bijzonder Hoogleraar De onverwachte massale uitbraak van het coronavirus is inmiddels onder controle. Maar maatregelen zoals afstand houden blijven cruciaal, zegt RIVM-infectieziektebestrijder Aura Timen.

De dag nadat Nederland in lockdown ging, op 13 maart, arriveerde Aura Timen (54) ‘s ochtend vroeg bij het compleet uitgestorven terrein van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven. „Het was dystopisch”, zegt ze. „Alles was donker en verlaten. Alleen in één gebouw brandde ergens licht: op mijn afdeling.” Timen is hoofd van het Centrum Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding en secretaris van het Outbreak Management Team (OMT). Haar afdeling werd het zenuwcentrum van de epidemiebestrijding. Hier kwam het OMT regelmatig samen, hier construeerden ze de strijdplannen, hier ontwierpen ze de adviezen voor de strategie die Nederland uit de coronacrisis moest leiden.

Dik drie maanden later, twee dagen na de afgekondigde laatste versoepelingen, doet het epicentrum van de coronacrisiscontrole in de zinderende hitte aan als een universiteitscampus tijdens de zomervakantie. Er slentert een groepje mensen op de paden tussen de gebouwen – op gepaste afstand van elkaar. De verspreiding van het coronavirus in Nederland is onder controle. Het OMT kwam eind juni – voorlopig – voor de laatste keer bijeen. Maar het virus is nog niet weg.

Ontspannen zit Timen in haar werkkamer. Ze oogt uitgerust. „Maar achteroverleunen kan nog niet”, zegt ze. Een licht accent verraadt haar Roemeense wortels. „We houden de cijfers in de gaten in Nederland en in het buitenland, adviseren de GGD-en, stellen richtlijnen op. Alles gaat gewoon door.”

Twee jaar geleden werd ze bijzonder hoogleraar infectieziektenbestrijding aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Tijdens haar oratie, op 17 april vorig jaar, over de ontwrichtende gevolgen van epidemieën voor de maatschappij, nam ze de zaal mee in een gedachtenexperiment, vertelt ze. „Ik deed alsof er iemand in de zaal besmet was met een onbekend virus. We wisten niet wie, het kon iedereen zijn. Ik liet het publiek zich voorstellen dat de autoriteiten zouden zeggen: iedereen moet in quarantaine, niemand mag de zaal verlaten. Dan weet je niet wanneer je weer naar buiten mag, en of je überhaupt nog je geliefden terug zult zien, want het zou een dodelijk virus kunnen zijn. Ik dacht toen: dit zal nooit gebeuren, dit is iets uit vorige eeuwen.”

En een jaar later staat u er middenin. Hoe is dat?

„Onwerkelijk. Ik geef al lang les aan medische studenten. Het concept lockdown kwam alleen aan bod in historisch perspectief, in tijden van de pest, of lokaal tijdens de grieppandemie in 1918. Een lockdown behoorde niet tot het arsenaal van maatregelen bij uitbraken in de Westerse wereld. Zelfs tijdens de grieppandemie van 2009 was dat niet aan de orde. We konden iedere uitbraak altijd goed binnen de perken houden met de bron- en contactopsporing, quarantaine, isoleren, testen. Dat hadden we goed op orde. Maar deze uitbraak was zo overweldigend.”

Het virus heeft ons dus toch overvallen?

„Niet alleen ons, het heeft heel Europa overvallen. Zeker in West-Europa was er een massale instroom van infecties door de wintersportvakanties, en onder meer in Nederland hadden we daar nog een extra aanjager bij: het carnaval. De verspreiding was al zo wijdverbreid dat het alles enorm onder druk heeft gezet: de testcapaciteit, en ook de bron- en contactopsporing en de IC-opnamecapaciteit.”

„Ik zal nooit vergeten hoe het begon. Op vrijdag 21 februari sprak ik op een symposium in Amsterdam. Ik had me verdiept in de situatie in Europa: in Italië hadden ze drie coronagevallen, mensen uit China, die lagen sinds eind januari in het ziekenhuis. Verder helemaal niets. We hadden twee groepjes besmettingen in Europa: een in Frankrijk, een in Duitsland. Dus ik zei in mijn praatje dat de risico’s best meevielen. Daar ben ik later erg op aangevallen, ik denk terecht, ik was misschien overmoedig.

„Onderweg naar huis keek ik op mijn telefoon: een bericht over zeven nieuwe besmettingen in Italië. De volgende dag waren dat er tientallen, op zondag honderden. Binnen drie dagen. Er waren mensen opgenomen zonder link naar China. Op maandag hebben we hier de ziekenhuizen gevraagd alle patiënten met onbegrepen longontsteking te testen. Op donderdag hadden we de eerste coronapatiënt. Binnen een paar dagen hadden we brandhaarden op verschillende plekken, en met twee weken zaten we in duizenden gevallen.

„Daarna belandde heel snel een hoger aantal mensen op de IC dan ik had kunnen verwachten op basis van de Chinese gegevens. China had zo’n 80.000 patiënten, daarvan belandde 5 procent op de IC. In Italië lag dat veel hoger, tot wel 20 procent, in Noord-Italië konden de ziekenhuizen het niet meer aan. Dat beeld was bepalend voor ons. Als we toen niet hadden ingegrepen dan was het ook die kant opgegaan in Nederland.”

Sinds die dag in februari is Timen dag en nacht met de pandemie bezig geweest. Ook ’s avonds en ’s nachts gingen de telefoontjes en appjes door. Elke nieuwe uitbraak, elke gerepatrieerde werd direct bij haar gemeld.

„Buitengewoon complex” was het, om met alle onzekerheid over een compleet onbekend virus, zulke zwaarwegende adviezen te geven. „Ieder advies dat we geven, wordt heel goed afgewogen.” Het OMT en Timen oogstten lof, maar ook kritiek, vaak zelfs persoonlijk. „Critici zijn fijn in een wetenschappelijk debat”, zegt ze. „Alleen: in een crisis heb je die tijd niet. Dan levert het alleen extra druk op. De mensen die vanaf de zijlijn wat roepen, dragen niet de verantwoordelijkheid voor de adviezen.”

Twee weken geleden had ze voor het eerst een week vrij. „Ik heb eerst twee dagen helemaal niets gedaan. Daarna ben ik gaan hardlopen. Heerlijk.”

Wat kunnen we leren van onze aanpak of die van andere landen?

„Die evaluatie moet nog gedaan worden. Wat we wel geleerd hebben: het bron- en contactonderzoek blijft heel belangrijk, en daarmee de capaciteit van de GGD.”

Die liet nogal te wensen over, na jarenlange inkrimping van de GGD-en.

„En ze hadden het al enorm druk. De GGD-en waren al wekenlang met de instroom van het virus uit het buitenland bezig voordat de eerste patiënt in Nederland er was – op Schiphol, in de havens. Alle betrokken Nederlanders bij die uitbraken op cruiseschepen, de Westendam en de Diamond Princess, en in Spaanse hotels, moesten worden teruggehaald, getest, geïnstrueerd, en hun contacten worden gevolgd. En daaroverheen kwamen die massale uitbraken in Nederland zelf.”

Zijn we nu beter voorbereid op een uitbraak na een illegaal feestje?

„Nu hopen we dat veel sneller op te pikken. We testen niet voor niets heel veel. We kijken dagelijks naar de waarden op het dashboard. Die signaalwaarden zijn zó opgesteld dat, wanneer ze uitslaan, wij nog tijd hebben om goed door te rekenen welke maatregelen we moeten nemen.”

Wacht ons een serie regionale lock-downs, zoals rond de vleesfabriek in Duitsland?

„We hebben nu geleerd welk arsenaal aan maatregelen we hebben. Per keer moeten we bekijken wat de beste optie is: kleinere groepen, minder evenementen, meer thuiswerken. De basis is fysieke afstand tot elkaar, zodat je elkaar niet besmet.

„Als je dat tot in het extreme doortrekt, zoals in het begin van de epidemie, krijg je de lockdown, waarbij niemand meer de deur uit mag. Er zijn landen die een noodtoestand hebben moeten uitvaardigen, waarbij handhaving met leger en politie moest worden afgedwongen, zoals in Zuidoost-Azië. In Nederland hebben wij niet aan dat extreme einde gezeten: mensen konden nog naar buiten, een wandelingetje maken, hun boodschappen doen.”

Is daar bewust voor gekozen?

„Ja, en onze resultaten zijn heel goed, vergelijkbaar met de landen die het extreem hebben doorgetrokken, dus dat is voor ons voldoende gebleken. Dat komt doordat mensen zich er heel gedisciplineerd aan houden. Nederlanders hadden veel begrip voor de maatregelen.”

Maar nu hebben ze er wel genoeg van. De onvrede over die anderhalve meter neemt elke dag toe.

„Uit onze enquêtes blijkt dat de meeste mensen nog steeds begrip hebben. Maar we zien ook onbegrip, zeker bij jonge mensen. Die ervaren wellicht de belemmeringen het meest als last, terwijl zij denken: onze risico’s zijn klein, vergeleken bij de oudere mensen en mensen uit risicogroepen.”

Wat natuurlijk ook waar is.

„Maar in andere landen die ook versoepeld hebben, zie je een fikse toename van infecties onder jongeren die samen gefeest hebben, zoals in Lissabon. En al hebben de meeste jonge mensen er niet veel last van, ze zijn wel een bron voor anderen. Je krijgt dan onvermijdelijk instroom in verpleegtehuizen. Je doet het dus voor de medemens.”

Maar er gaat ook heel veel kapot: de economie, de werkgelegenheid, de culturele sector, het welzijn van mensen…

„Dat is een heel ingewikkelde afweging. Het is aan het kabinet om die belangen af te wegen.”

Kunnen we niet alles loslaten? Gewoon testen bij klachten en isoleren, en wie niet het coronavirus wil oplopen, houdt zelf 1,5 meter afstand?

„Theoretisch zou dat een optie zijn, áls iedereen met ook maar de mildste klachten zich laat testen. Maar we weten uit onze onderzoeken dat minder dan een derde van de mensen met klachten dat doet. Dat is zorgwekkend.

„We hebben dus toch deze bundel van maatregelen nodig. De afstandsmaatregel van 1,5 meter maakt het duidelijk moeilijker om het virus over te dragen. De handhygiëne blijft heel belangrijk, om de contactroute tegen te gaan. Thuis blijven bij de geringste klachten is cruciaal. En je laten testen bij klachten, zodat je ook je contacten kunt waarschuwen.”

Moeten we ons zorgen maken over de mensen die staan te knuffelen voor de camera?

„Ik denk het wel. Overal waar mensen weer feestvieren zien we dat dat gewoon niet gaat. Zelfs een land als Nieuw Zeeland. Zij waren helemaal vrij van Covid-19. En dan komen er een paar toeristen, die worden eerder losgelaten uit quarantaine, en dan heb je het weer. Ook al is de circulatie van het virus nu heel laag, we moeten toch zorgen dat het zo blijft.”

Is er nu niet te snel te veel losgelaten, onder druk van die onvrede?

„We hebben het stapsgewijs gedaan, en bij elke stap gekeken wat dat betekende voor de R0 [gemiddeld aantal besmettingen door één bron], de ziekenhuisopnames, de besmettingen in verpleeghuizen. We zagen geen signalen die duiden op verhoging van het risico. Zelfs de mensen in contactberoepen, die we al vrij in het begin hebben losgelaten. Zij laten zich testen als ze klachten hebben, en we zien dat het zo veilig kan.”

Komt er een tweede golf?

„Ik zie geen reden waarom dat niet zou gebeuren. Dit soort luchtwegvirussen, ook andere coronavirussen, gedijen in het winterseizoen. Bij alle grieppandemieën, ook die in 1918 en in 2009, was er in de zomer een lage transmissie, en kwam het in het najaar volop terug. Alleen hadden we in 2009 tegen die tijd een vaccin.

„Of die golf er komt, en hoe groot die zal zijn, hangt dus voor een deel van de biologie af, maar ook van onszelf. In de herfst en winter zitten we meer binnen, op elkaar. Als we allemaal de regels 100 procent naleven, is er een kans dat we het heel beperkt houden.”

Waarover maakt u zich het meeste zorgen?

„Dat mensen de maatregelen niet vasthouden als ze op vakantie gaan. Het advies is: hou je aan de maatregelen van het land zelf, en als die minder strikt zijn dan de onze, hou je dan aan de Nederlandse maatregelen.”

Oh ja? Weet iedereen dat wel?

„Dat hoop ik. Het is niet de bedoeling dat Nederlandse jongeren allerlei strandfeesten gaan houden zonder afstand. We hopen ook dat toeristen in Nederland zich aan onze regels houden. En ik hoop dat mensen bereid blijven om zich te laten testen als ze klachten hebben. Dat blijft heel belangrijk.”