Opinie

Van crisis- naar herstelbeleid

Marike Stellinga

Alsof je uit de achtbaan stapt. Vier maanden na het eerste steunpakket voor de economie is het parlementaire jaar officieel voorbij, en het terugkijken is pas net begonnen. Je merkte het deze week tijdens het debat over de Voorjaarsnota. Daarin schat Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) het prijskaartje van de crisis op 70 miljard euro. Dat is het bedrag waarmee de overheidsfinanciën dit jaar naar schatting verslechteren. Naar schatting, want de onzekerheid is groot.

Diverse Tweede Kamerleden van oppositiepartijen die het economische crisisbeleid de afgelopen tijd steunden, vroegen zich af of al die beslissingen samen een goed beeld laten zien. In de meer dan 50 noodmaatregelen, samen goed voor 44 miljard euro aan uitgaven en 33 miljard euro aan garanties, zitten bijvoorbeeld loonsubsidies, steun voor zzp’ers en mkb-bedrijven, maar ook de redding van een scheepsbouwer en van de KLM, en speciale steun aan de sierteelt en de verzekeringsmarkt voor leverancierskredieten. Welke taart is hier gebakken?

In grote lijnen volgt het kabinet het advies van economen: vang de klap ruimhartig op. Anders zijn de kosten veel groter: faillissementen, werkloosheid, wanbetaling, banken in problemen. Maar zeker ook als de overheid ruimhartig is, blijft nadenken geboden. Dat geldt nog sterker de komende maanden.

Wat het kabinet tot nu toe deed, is crisisbeleid: bescherming bieden aan mensen en bedrijven. Nu volgt herstelbeleid: helpen bij de aanpassing aan een nieuwe werkelijkheid. Hoe doe je dat? Niet door naar elk miljard afzonderlijk te kijken, maar door het geheel strategisch te bezien.

Landen als Duitsland en Frankrijk zijn al bezig met herstelbeleid, Nederland niet, concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving deze week. Die landen zetten hun crisismiljarden deels in om de uitstoot van CO2 te verminderen. Dat zou het kabinet ook moeten doen: investeer in klimaatvriendelijkere woningen of duurzame infrastructuur.

Ook de economen van het CPB zien het naar voren halen van investeringen wel zitten, schrijven ze deze week. Vooral in sectoren die toch al moeten veranderen vanwege stikstof of klimaat. En in de zorg en het onderwijs. Het kabinet kan meer doen: maak de WW- en bijstandsuitkering „toegankelijker of genereuzer" en help bij het vinden van een andere baan.

Als het om groen herstelbeleid gaat, hoor ik vaak een zeker fatalisme. Juist nu bedrijven het zwaar hebben, moeten ze niet extra worden gepest. Maar het omgekeerde is erger. Nu veel geld uitgeven en over 4 jaar denken: nú hebben we het nodig om klimaatverandering tegen te gaan. Hadden we het in 2020 maar anders ingezet. Juist na een klap moeten bedrijven hun strategie opnieuw overdenken. Dat is wél het moment om als overheid helder te zijn: zo gaan we groener worden. Hard en helder is beter dan zacht en onzeker. Immers, dát er klimaatbeleid aankomt, is evident.

Ik heb nog twee richtsnoeren voor de mannen die deze zomer gaan knutselen aan een Prinsjesdagplan. Eén: hou oog voor de positie van uitdagers in markten. Voor je het weet, krijgen grote bedrijven steun en mag de rest het uitzoeken. Dat is slecht voor consumenten, werknemers en de economie. Twee: richt de nieuwe steun eerst en vooral op mensen die nu al een rekening betalen: flexwerkers, weinigverdienende zzp’ers, kwetsbare gezinnen. Vergeet het onderwijs niet, want daar gaat van alles niet goed. Heb kortom vooral oog voor dat deel van Nederland dat niet in je kantoor of torentje staat te lobbyen.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.