Schelden, stilzitten, fouten uitwissen: het verval van de Kamer in coronatijd

Deze week: een verkenning van de blijvende politieke gevolgen van de recente debatten over corona, racisme en kindertoeslagen. Ofwel: het verval van de Tweede Kamer in crisistijd.

Voorverkiezingen in Nederland – het blijft propjes schieten in een boksring. Vorige week stond de CDA-leiding stijf van de spanning toen ze de regie over de eigen lijsttrekkersverkiezingen verloor. Maar begin deze week moest je zoeken om überhaupt iets van de kandidaten mee te krijgen.

Alleen Pieter Omtzigt was redelijk in beeld. Mona Keijzer viel op met een filmpje waarin ze sprak over maatregelen tegen telefonische verkopers terwijl ze een pannenkoek bakte. Hugo de Jonge gaf woensdag een online toespraak en stond vrijdag in Trouw.

Dat was het. Geen debatten. Geen aanvallen op elkaar. Donderdag sluiten de stembussen alweer.

Kritiek kwam van buiten. Iemand stuurde me stukken toe over afspraken die een kabinetsdelegatie, onder wie Mona Keijzer, met de horeca maakte over 1,5 metermaatregelen. Beleid dat zij officieel steunt maar waar ze „als moeder van vijf zoons” mee zegt te worstelen.

In de coalitie vertelden ze van moeizame gesprekken over de coronaspoedwet van Hugo de Jonge.

En toen Pieter Omtzigt dinsdag bij WNL zijn pleidooi voor een betere positie van de burger tegenover de overheid herhaalde, reageerde Steven van Weyenberg (D66) door hem de aangepaste Wet Open Overheid, deze week gepresenteerd, aan te bevelen. Een lang slepend initiatief met Bart Snels (GroenLinks) dat vrijwel alle overheidsdocumenten principieel een openbare status toekent.

Dan „weet de burger wat de overheid doet”, schreef Van Weyenberg. Nu maar hopen dat Omtzigt het voorstel dit keer steunt, smaalde hij, want eerder „stemde de hele CDA-fractie tegen”.

Je kreeg eenzelfde onvoldragen indruk over de andere grote thema’s van het laatste half jaar – corona, de kindertoeslagaffaire en het racismedebat. Dus toen de Kamer donderdagnacht het politieke seizoen afsloot, vroeg ik me af welke recente debatten blijvende verandering teweegbrengen. En wat we hebben geleerd over het opereren van politieke instituties – partijen, Kamer, kabinet – in crisistijd.

Het viel op dat vooral de Tweede Kamer bij momenten zorgelijk zwak presteerde.

Om te beginnen was er de debatcultuur, waarin scheldwoorden het nu ongemakkelijk vaak winnen van argumenten. Woensdag debatteerde de Kamer over institutioneel racisme, hierover denkt het land verschillend, en dat hoort te weerklinken in de nationale vergaderzaal.

Maar wat kregen we? Kamerleden die elkaar „schaap” noemden, „politieke hooligan”, „idioot”, „crimineel”, „beschonken komkommer”: de Tweede Kamer als Twittertijdlijn.

Je kunt denken dat dit aan Wilders ligt – het scheldkanon dat iedereen aansteekt. Maar ik vermoed dat het dieper zit. Dat we de verwording meemaken van het verlangen problemen ‘te benoemen’. Toen dat begon met Fortuyn had het enige legitimiteit. Maar het is al langer vervallen tot alibi om op elk gewenst moment afkeer, woede of wrok over anderen te uiten. ‘Hou je rotkop’ als uitgangspunt.

Maar je hoopt natuurlijk dat de Kamer agressie tempert in plaats van uitvergroot. Dat de Kamer onbezonnenheid beantwoordt met rationele kalmte.

Het was trouwens Omtzigt die laatst in de toeslagenaffaire de oplossing aanwees: minder spoeddebatten, meer aandacht voor kwaliteit van wetgeving en controle van de regering. Voor de fundamentele keuzes van de overheid in plaats van de hitte van de actualiteit.

Ook in de Kamerdebatten over de coronacrisis zag je vooral dit laatste. Geen enkele van de fundamentele keuzes van het kabinet werd er principieel betwist – laat staan aangepast. Het enige dat de Kamer met de keuzes van het kabinet deed was ze uitvergroten. Deed het kabinet de economie gedeeltelijk op slot, dan volgde de roep om een totale lockdown. Breidde het kabinet het aantal IC-bedden uit, dan eiste de Kamer méér uitbreiding. Etc.

Dus je zou willen dat Kamerleden en hun fracties deze zomer gebruiken voor zelfonderzoek – want deze combinatie van elkaar uitschelden en zwijgen over beleidsfundamenten ondermijnt het instituut.

Intussen hebben de coronakeuzes van het kabinet nieuwe politieke feiten geschapen. We weten nu dat de crisis-persconferenties voor de premier goud waard zijn. We weten dat grenzen in Europa wel degelijk dicht kunnen (en coffeeshops in Nederland niet). We zagen dat politiek en samenleving de sociale kosten van deze crisis primair afwentelden op kwetsbare ouderen, jongeren en het onderwijs. Internationaal bleek dat populisme (Trump, Bolsonaro, Boris Johnson) een slecht recept is voor een crisis.

En hoewel het kabinet, anders dan de Kamer, de regie in handen had, viel in Den Haag ook op hoe effectief klassieke lobbygroepen opereerden. Uitgedrukt in beleidsvoorkeuren had de FNV verreweg de meeste Haagse invloed: niet-actieve werknemers krijgen al maanden 90 procent van hun salaris doorbetaald, en voor zzp’ers kwam er zelfs een (tijdelijk) basisinkomen. Ongekend.

Tegelijk werden progressieve opvattingen over expansieve begrotingspolitiek gemeengoed. Terug naar de jaren zeventig. En gezien de ontluikende discussie over vermogensbelasting en de brede roep om hervorming van de arbeidsmarkt (meer vaste banen) weten we nu al dat corona ook voor 2021, een verkiezingsjaar, inzake economische politiek een ruk naar links teweegbrengt.

De partijpolitieke gevolgen zijn daarom niet gering: de goede peilingen van Rutte laten zien dat de groei van de VVD niet meer op rechts zit – maar in het midden. Het CDA blijft erover debatteren, maar ook in de VVD zeggen ze nu al tegen elkaar dat regeren met Baudet ondoenlijk zal zijn. Ruttes penetratie van het midden stelt het CDA in zijn lijsttrekkersstrijd voor een existentiële keuze, terwijl het D66, de PvdA en GroenLinks verder naar links duwt. Hun pleidooien voor een fors hoger minimumloon en scherpe verhoging van vermogensbelasting zijn een kwestie van tijd.

Het betekent niet dat VVD en CDA hun rechtse kiezers vergeten. Zij zullen worden bediend met restrictieve migratievoorstellen; Hugo de Jonge zinspeelde woensdag opnieuw op een quotum. Wat dit betreft weet ik niet hoe groot de beleidsinvloed van het racismedebat zal blijken te zijn.

Binnenskamers werd deze week de voorbereiding afgerond voor de ‘mini-enquête’ naar de toeslagenaffaire, waarbij de Kamer in november (oud-)bewindslieden wil horen. Politiek vuurwerk. Verwacht wordt dat PvdA-leider Asscher (als ex-minister van Sociale Zaken), minister Wiebes (als oud-staatssecretaris van Fiscale Zaken) en VVD-voorman Rutte (als premier) worden opgeroepen.

In de werkgroep was de VVD, hoorde ik, ontspannen over een verhoor van Rutte. Voor Asscher is de beladenheid groot. Het eindrapport wordt in december verwacht – drie maanden voor de verkiezingen.

Maar in de brief over de verhoren stond het echte nieuws in een voetnoot: „een minderheid” van de werkgroep, las je daar, wil ook Kamerleden over de affaire horen. Niet vreemd als je de vurige parlementaire pleidooien uit het verleden voor rigoureuze fraudebestrijding kent. Maar wat niet in de brief stond: een meerderheid van de werkgroep wil – officieel uit tijdgebrek – geen oud-)Kamerleden horen.

Het past helaas bij het verval van de Kamer in deze crisistijd. Elkaar uitschelden over racisme. Amper invloed uitoefenen op het coronabeleid. En de eigen rol in de toeslagenaffaire al uitgummen voordat het onderzoek is begonnen. Best een ongemakkelijk rijtje bij het begin van de zomervakantie.