Opinie

Het Stan Huygens Journaal

Tommy Wieringa

Het was een uitgelezen gelegenheid voor het Stan Huygens Journaal, de onverwoestbare societyrubriek van De Telegraaf: mensen van aanzien, knap in de kleren, verzameld op een familielandgoed op de Sallandse Heuvelrug. Meestal rukt de verslaggever van dienst uit naar bedrijfsfeestjes, openingen en diplomatieke borrels, ditmaal was het de beurt aan een boekpresentatie: Jaap Scholten hield zijn roman Suikerbastaard ten doop. De karakteristiek van het landhuis was een hoge, sneeuwwitte toren met een leien dak, waar stichter A.A.W. van Wulfften Palthe in de nok het firmament bestudeerde door een telescoop. Van veraf leek de sprookjestoren boven de bomen op de Sprengenberg op een Sallands Neuschwanstein. Scholten wenste in zijn welkomstwoord te benadrukken dat hij zich slechts via een uiterst dun familielijntje tot het landgoed verhield, misschien om de indruk van Tolstoj-achtig grootgrondbezit weg te nemen. Na hem sprak de Ethiopische ambassadeur en toen was ik aan de beurt.

Ik biechtte op hoe onweerstaanbaar ik Jaap Scholten altijd heb gevonden, wat ermee begon toen ik hem eens een visitekaartje zag geven aan een vrouw op de dansvloer, waarop met sierlijke letter geschreven stond: U heeft gedanst met Jaap Frederik Scholten. Een interview met hem over een van zijn vorige romans begon ik met de woorden: ‘Ooit wilde ik Jaap Scholten zijn. Dit verlangen werd gewekt door een situatie waarin een luchthaven, een vrouw en een rode Jaguar een rol speelden, en heeft niet zo heel lang geduurd, maar lang genoeg om te beseffen dat ik nooit uit mezelf zou kunnen ontsnappen – dat elk sprankje dandyisme in mij onmiddellijk zou worden gesmoord door overheersende gevoelens van belachelijkheid, zodat Jaap Scholten altijd Jaap Scholten zou zijn en ik altijd ik, and never the twain shall meet’.

Bij de presentatie van mijn roman De heilige Rita hield Scholten een verrukkelijke inleiding, maar maakte er wel bezwaar tegen dat ik over Twente geschreven had. „Twente is van mij”, zei hij toen, een vorm van culturele toe-eigening die ik nog niet kende. Ik meende dat we Twente verdeelden, hij de directeuren en ik de autoslopers, hij de hoed en ik de pet, maar in Suikerbastaard heeft hij zich nu ook van mijn terrein meester gemaakt door het avontuurlijke leven van een boerenzoon te beschrijven die naar Ethiopië vertrekt om nooit meer terug te keren.

Nadien maakte de fotograaf de foto’s die het Stan Huygens Journaal tot het Stan Huygens Journaal maken: vrolijke mensen met een glas of een drankje in de hand, die de fotograaf toelachen in een demonstratie van welstand en vanzelfsprekende superioriteit. De mannen met wie ik een vriendengroepje vorm werden ook voor de lens gehaald. „Tommy moet er nog bij”, zei een van hen, maar dat was niet de bedoeling. „Nee, dat gaat niet”, zei de verslaggever, ik mocht er niet op, zodat ik aan de foto van de redevoerende Lenin voor het Bolsjoj-theater moest denken, waarop Trotski en Kamenev werden weggeretoucheerd toen ze in ongenade vielen. Werd je in de Sovjet-Unie nog van de foto verwijderd, bij De Telegraaf kom je er niet eens meer op. Sinds ik twee jaar geleden een grapje maakte over de aanslag op het Telegraafgebouw, had ik al eens uit betrouwbare bron vernomen, is mijn naam de hoofdredacteur een vloek. Hij heeft me uit zijn krant gebannen, geen recensies meer en, veel erger, ook geen Stan Huygens Journaal meer verdorie. De zwijgdood.

Soms, wanneer de hoofdredacteur in zijn commentaren met uitroeptekens zijn liefde voor de vrije pers belijdt, verbaas ik me erover dat hij het blijkbaar ook tot zijn persvrijheid rekent om mensen in zijn krant uit te vlakken – waar het Duits het fraaie woord ‘ausradieren’ voor kent. Misschien zal de krant pas weer een chocoladelettertje aan me wijden wanneer ik met de broek op de enkels word vastgelegd door bewakingscamera’s in een parkeergarage. Tot die tijd zal ik, wat voor meesterwerken of prullen ik verder ook nog schrijf, vergeten zijn door de Telegraaflezer, wat ik beschouw als een oefening in niet-bestaan, de door filosofen aanbevolen voorbereiding op de dood.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.