Het Grote Verhaal In de zomer van 1994 reed een groepje jongeren twee weken door de Franse Alpen. Ruim 25 jaar later vraagt een van hen zich af: hoe is het nu met de rest? Het verlegen type, het natuurtalent, die jongen met het familiedrama?

Het Grote Verhaal

De fietsvakantie die alles veranderde

Door Thijs Niemantsverdriet. Illustraties Martien ter Veen. 4 juli 2020

Wielervakantie In de zomer van 1994 reed een groepje jongeren twee weken door de Franse Alpen. Ruim 25 jaar later vraagt een van hen zich af: hoe is het nu met de rest? Het verlegen type, het natuurtalent, die jongen met het familiedrama?

Op de foto is Michiel de jongen met de witte helm, rechts onderaan. Om zijn lichaam fladdert een jasje in felle jaren 90-kleuren. Het jasje was wel nodig, al was het midden in de zomer, want het was koud op die hoogte. We poseren bij het bordje van de Col de l’Iseran, in de Franse Alpen. Het getal eronder het bewijs van onze prestatie. Altitude: 2.770m.

Stil en gedreven – zo herinner ik me Michiel. Hij zei niet veel, maar fietste des te harder. Op de Col du Petit-Saint-Bernard, een andere bergpas, zou hij de volgende dag de klimtijdrit winnen. ’s Avonds kreeg hij plechtig een bolletjestrui overhandigd, die hij de rest van de vakantie droeg en daarna mee naar huis mocht nemen.

Ik kijk naar de foto en denk: hoe is het nu met ze? Met Michiel, met de anderen? Vijftien jongens en één meisje, twee weken eerder kenden we elkaar nog niet maar hier staan we, samen op een berg. Vijftien, zestien jaar oud waren we. Op de drempel van het leven.

Zou die vakantie in de Franse Alpen op hen net zo’n indruk hebben gemaakt als op mij?

Zesentwintig jaar later, op een zonnige zaterdag in mei 2020, sta ik in een opslagloods langs de A28 bij Hoevelaken. Om me heen: kussens, lampen, reservewielen. Er staat een driehoekig dressoir, er ligt een oude slaapzak. Het is allemaal niet wat we zoeken.

Wat ik in 1994 niet wist, was dat Michiel onze archivaris was. Hij heeft destijds een fotoalbum gemaakt, met gedetailleerde bijschriften. Wie er mee waren, hoe de etappes verliepen, wie er als eerste bovenkwam. Dat album ligt ergens in deze opslagloods. Als ik dichter bij die zomer van lang geleden wil komen, bij wie we toen waren, moeten we dat album vinden.

De verhuisdozen gaan open. Een dwarsdoorsnede van Michiels leven komt tevoorschijn. Cd’s: Alan Parsons Project, INXS, Doe Maar. Boeken: Wees onzichtbaar van Murat Isik, De schaduw van de wind van Carlos Ruiz Zafón („Moet ik die lezen?”), een zelfhulpboek over mannen voor single vrouwen („Ben ik door gefascineerd”). Alle jaargangen van Wieler Revue sinds 1977.

We zoeken en we zoeken. Verse verhuisdozen gaan open, met nieuwe vergezichten op Michiels leven. Klassenfoto’s van de middelbare school. Zijn afstudeerscriptie van de TU Delft. Nooit gebruikte wijnglazen.

En dan: Michiels gedempte vreugdekreet vanuit de berging. „Hebbes!”

1

Ik zat in de vierde klas van de middelbare school en had een paardenstaart. De zomer ervoor had ik mijn eerste racefiets gekocht: een wit-roze Giant met toeclips, versnellingen op het frame. Mijn moeder kwam met een brochure van Vinea, een club die zomerkampen organiseerde voor tieners. Zeilen, mountainbiken, op het strand liggen. Mijn oog viel op de Alpentrektocht. Daar moest ik heen.

Ik vulde het aanmeldingsformulier in en deed het op de post. Een paar weken voor vertrek kregen we een deelnemerslijst toegestuurd, en een zwart-wit boekje met kaartjes en hoogteprofielen. Achter mijn rug om belde mijn moeder met de organisatie: wilden ze erop toezien dat ik te allen tijde mijn valhelm zou dragen?

We vertrokken op maandagochtend, 25 juli 1994, vanaf het Stadionplein in Amsterdam. De dubbeldeks touringcar was grotendeels gevuld met meisjes die op strandvakantie gingen aan de Spaanse costa. Onze fietsen gingen in een aanhangwagen. Tussenstops op tankstations: Nederweert, Toul, Beaune.

Midden in de nacht werden wij, de wielrenners, afgezet in Valence, aan de voet van de Franse Alpen. Om zeven uur ’s ochtends waren we op de camping in Talloires, een dorpje aan het meer van Annecy – zonder geslapen te hebben.

Met de groep was het aftasten die eerste dagen. Ik was op mijn hoede, lees ik in mijn eigen vakantiedagboekje. Er zaten leuke gasten tussen, maar ook een plukje „verwende, sexlustige mannetjes uit het Westland” (bleek later te zijn: Hellevoetsluis). „Ze lusten niets, eten drie happen van hun bord en schuiven het dan met een vies gezicht van zich af. Daarom zijn ze nu overgegaan tot de aanschaf van pizza’s, die ze verlekkerd zitten te verorberen.”

Maar zodra het fietsen begon, was het goed. We reden in onze felgekleurde wielertenuetjes van camping naar camping, de twee reisleiders met een wit busje en onze spullen erachteraan. Onderweg beklommen we bergen die ik kende van de televisie: de Iseran, de Colombière, de Madeleine. Over die twee laatste was het Tourpeloton een paar weken eerder óók getrokken.

Fietsen in het hooggebergte was magisch. Anderhalf uur zwoegen naar de top van een col, met het geluid van mijn ademhaling en het zoemen van dunne bandjes op het asfalt, zweetdruppels op mijn bruine onderarm. Halverwege de klim: onze reisleider met een banaan, een bidon en bemoedigende kreten. In het restaurant bovenop de col: een stempel op mijn wielerpetje.

De dagen waren van een heerlijke overzichtelijkheid. ’s Ochtends ontbijten, wielerkleding aantrekken, bidons vullen. Dan een uur of vijf fietsen. Aan het eind van de middag een potje voetbal op de camping. Avondeten aan een lange houten tafel. Afwassen in het badhok, als je corvee had, met Doe Maar op de cassettespeler. Soms naar een bar-dancing of een dorpsfeest. We sliepen in tentjes – en later in de vakantie, toen het heel warm werd, onder de zomerse sterrenhemel.

De jongens uit Hellevoetsluis waren niet mijn type, maar je kon wel met ze lachen. Met Joep, Egon en Martijn, jongens uit Utrecht, kon ik goed opschieten. Joep zoende op een dorpsfeest met een Frans meisje en werd daarna ‘Joupe l’amour’ genoemd. Egon luisterde graag naar mijn cassettebandje van Steely Dan en had een scherpe persiflage van de Brabantse rockband Bertus Staigerpaip in huis. Ik deelde een tent met Teun, een roodharige, onverwoestbaar vrolijke gozer uit oost-Brabant. We lachten ons een ongeluk. Teun droeg een fluorescerend gele hoofdband, deed aan triatlon en pochte aan het begin van de vakantie dat hij over twee jaar naar de Olympische Spelen zou gaan. Na één beklimming wist de rest wel beter, en Teun zelf ook.

Dit, wist ik halverwege de vakantie, was nou groepsgevoel. Ik was op pad met jongens die ik nooit eerder had ontmoet, uit alle hoeken van het land, van alle treden van de sociale ladder, en we hadden de grootste lol. Voor een gymnasiast uit Amsterdam die dacht dat alles om de hoofdstad draaide, was dat een openbaring.

Het was, in meerdere opzichten, de vakantie van de eerste keer. De eerste keer zwemmen in een ijskoud gletsjermeer. De eerste keer over het hek klimmen bij het dorpszwembad. De eerste keer om een groep Franse meisjes heen hangen – zonder succes uiteraard. En bovenal: de eerste keer mijn fysieke grenzen verkennen op de fiets.

Dat smaakte naar meer. En niet alleen bij mij.

Joep zoende op een dorpsfeest met een Frans meisje en werd daarna ‘Joupe l’amour’ genoemd

Michiel

Michiel

Hij is weinig veranderd in die zesentwintig jaar. Nog steeds dezelfde bos zwarte krullen, met hier en daar een grijze haar. Nog altijd rank van postuur. Als hij praat, lijkt dat niet vanzelf te gaan.

We zitten tegenover elkaar in een Amsterdamse koffietent, een maand of drie voor ons bezoek aan de opslag in Hoevelaken. Michiel vertelt hoe hij die zomer in de Alpen beleefd heeft. Hij was zestien en woonde in Mijdrecht. Twee jaar ervoor was hij begonnen met fietsen, op een rode Koga Myata. Op school had hij „een vervelende tijd”, zegt hij. „Ik hoorde er niet bij.”

Vooraf was hij gespannen. Zou hij in de Alpen ook het buitenbeentje zijn? Hij gaf zich toch op. De wil om te fietsen won het van de onzekerheid, en zijn ouders vonden het ook een goed idee als hun verlegen zoon er eens in zijn eentje op uit ging.

Alles viel op zijn plek. hij werd niet gepest, ook jongens met een grote mond („zoals jij”) gaven hem het gevoel dat hij één van hen was. Bovendien ontdekte hij dat hij heel hard kon fietsen – wat hem aandacht en aanzien opleverde in de groep. Hij ging met de snelsten mee naar boven en won de klimtijdrit: een geweldig prestatie omdat Bram, een blond natuurtalent uit Noord-Holland, op bijna alle beklimmingen de beste was. „Ik kwam thuis met een kick. Het was goed gegaan.”

De vakantie werd een beslissende gebeurtenis in Michiels leven. Hij ontdekte er zijn liefde voor de fiets. En de fiets bleek een manier om complimenten te krijgen van anderen – een kostbaar goed voor een kwetsbare tienerjongen.

Het zou het begin zijn van een leven lang wielrennen, liefst in de bergen. Michiel studeerde af in de geodesie in Delft, cum laude, maar de fiets was belangrijker. In de twintig jaar erna werkte hij als softwareprogrammeur. Hij organiseerde het zo dat hij tien tot twaalf weken per jaar weg kon.

Fietsen, fietsen, fietsen. Twintigduizend kilometer per jaar haalde hij met gemak. Zijn record staat op 28.500 – gemiddeld 80 kilometer per dag. Noem een col in West-Europa en de kans is groot dat Michiel hem heeft bedwongen.

Regelmatig kreeg hij jaloerse reacties op zijn eindeloze excursies in de bergen. Maar er was ook een keerzijde, zegt hij: hij heeft tot nu toe een „rommelig en zoekend leven” geleid. Naast het wielrennen had hij niets, de meeste van zijn reizen deed hij alleen. Van een langdurige relatie kwam het nooit, laat staan van een gezin.

In de loop der jaren wisselde hij vaker van woonplaats dan van racefiets. Nu woont hij in Tiel. De meeste van zijn spullen, inclusief zijn fotoalbum van de Alpenreis, heeft hij opgeslagen. In de berging langs de A27 waar we drie maanden later, op die zonnige zaterdag in mei, staan te zoeken.

Als we het fotoalbum gevonden hebben, ploffen we neer op een dijkje in de buurt, met een fles appelsap en een bakje noten van de landwinkel om de hoek. We zitten naast elkaar en kijken uit over een natuurgebiedje.

Het album op mijn schoot is een goed geordende collage van foto’s, kaartjes en aantekeningen. Michiels handschrift is minuscuul en oogt opmerkelijk volwassen voor een zestienjarige. Met rode pen heeft hij klassementjes gemaakt van elke beklimming, inclusief puntentelling. Col de la Madeleine: 1. Bram 12, 2. Joep 8, 3. Michiel 6.

Op de openingspagina staat een typering, in een paar zinnen, van iedere deelnemer. De karakterschets van de zestienjarige Thijs Niemantsverdriet is confronterend: „Arrogante, autoritaire Amsterdammer – zeer up to date – heeft overal wat op te zeggen en/of zeiken – valt op door stopwoordjes of –zinnen als ‘Dit is echt kut is dit’ of ‘gênant.’”

Al het reizen is hem de laatste jaren tegen gaan staan, vertelt Michiel. Het fietsen blijft geweldig, maar de rest weegt daar steeds minder tegenop. De lange nachtelijke autoritten naar Frankrijk of Spanje, de eenzame avonden in een hotel. „Ook in Nederland stapte ik bijna iedere dag op de fiets, zelfs als ik geen zin had. Het voelde soms als een dwangneurose.” Michiel neemt een slok van de appelsap. „ Mijn eigenwaarde haal ik uit presteren. Als ik iets goed doe, krijg ik aandacht en voel ik me beter. Maar het is altijd iets tijdelijks.”

Dit jaar voelt als een omslagpunt, zegt hij. Hij wil minder fietsen en méér sociaal contact. „Ik heb nu ook andere interesses.”

Welke interesses?

Het is even stil. „Nou ja, eigenlijk zijn die er niet. Maar dat komt wel.”

Het lijkt erop dat Michiels voornemen minder te fietsen gaat slagen. Zijn stand, halverwege het jaar, op wielerapp Strava: 5.657 kilometer. Dat is slechts 30 kilometer per dag.

3

Zomer 1994: de wereld was een stuk overzichtelijker dan nu. De Koude Oorlog-somberte van de Lubbers-jaren was verdampt. Er was meer welvaart dan ooit. Terwijl wij in de Franse bergen fietsten, kreeg Nederland het eerste paarse kabinet – hét symbool van het politieke optimisme in de jaren negentig. De enige deuk in het nationale zelfvertrouwen dat jaar was de uitschakeling op het WK voetbal, in de kwartfinale tegen Brazilië.

Voor mij ging de wereld dagelijks verder open. Ik ging naar Pinkpop en zag Rage Against The Machine en The Smashing Pumpkins. Ik las voor het eerst Jan Wolkers en George Orwell. Jiskefet was op televisie (Oboema! De dierenwinkel!). Ajax had Kluivert en Litmanen en zou het jaar erop de Champions League winnen. Het was allemaal nieuw en gaaf en opwindend.

Ik ging op vakantie met de gretigheid en onbevangenheid van een zestienjarige die de wereld aan het ontdekken is en weinig heeft om zich zorgen over te maken. En ik ging er automatisch van uit, denk ik, dat dat voor iedereen in de groep gold.

Dat was natuurlijk niet zo.

Richard

Richard

Ik was hem vergeten, om eerlijk te zijn. Maar als ik de foto op de Col de l’Iseran bekijk, zie ik hem staan. Een kleine jongen met melkboerenhondenhaar, in een wielershirt van Cor van Laar Kunststof Kozijnen. In de uitslag van de tijdrit staat hij op de zevende plaats, 6.08 minuten achter Michiel en 26 seconden vóór Bram, die een uitzonderlijk slechte dag moet hebben gehad.

Michiel karakteriseert Richard in zijn fotoalbum als volgt: „Stille jongen die graag helpt met het eten koken maar vervolgens tijdens het afwassen spoorloos is – is als het erop aankomt iemand met veel lef – ‘koning der lekke banden’.”

Voorzichtig begint er iets te dagen. Richard, dat was die jongen uit Den Haag. Er was iets met zijn thuissituatie. Iets heftigs, waarmee wij op die leeftijd geen ervaring hadden.

Het kost me enige moeite om hem te traceren. Hij zit niet op LinkedIn of Facebook. Maar op de website van wielervereniging Trias, uit Den Haag, vind ik een Richard Korteweg, geboren in 1978. Dat moet hem zijn.

Twee weken later zitten we in zijn tuin in Leidschendam. De zon schijnt. Richard praat zacht en vriendelijk. Nu hij ouder is, lijkt hij op Michael Boogerd, zijn stadgenoot die in de jaren na onze vakantie het gezicht van het Nederlandse wielrennen zou worden.

Richard heeft weinig herinneringen meer aan onze vakantie, zegt hij, maar hij is hem ook nooit helemaal vergeten. Hij weet nog dat we in een bergmeer hebben gezwommen, en dat het ’s nachts eens verschrikkelijk onweerde. „Het beklimmen van die cols, dat was prachtig. En dan in het café een stempel vragen voor op je wielerpetje. Un tampon, heette dat in het Frans. Ik dacht eerst dat we in de zeik werden genomen.”

Er is een verklaring, zegt Richard, dat hij niet zo veel meer weet. In zijn geheugen staat omstreeks zijn zestiende „een muur”. „Achter die muur weet ik bijna niets meer.” Het was de tijd waarin hij binnen dertien maanden zijn beide ouders verloor.

Hij woonde in Den Haag, als enig kind. Zijn vader werkte als vertegenwoordiger in borstels: handborstels, schuurborstels, wasstraatborstels. Zijn moeder deed de administratie van het bedrijf. Het was een stressvol bestaan en zijn ouders leefden ongezond: roken, drinken, vet eten. „Ik sportte veel. Ik wilde niet zo dik worden als m’n ouders.”

In maart 1994 kwam Richard thuis van school. Er stonden ambulances en politie voor de deur. Hij mocht niet naar binnen. Even later kwam zijn vader naar buiten. „Het is je moeder”, zei hij. Een hartaanval.

Een paar weken na de dood van zijn moeder zag hij een advertentie in de Haagse Courant: wielerkamp in de Franse Alpen. „Dat leek me mooi. Ik keek altijd naar de Tour de France.”

De vakantie ontstak bij Richard het vuur voor het wielrennen. Bij thuiskomst kocht hij een eigen fiets en werd hij lid van wielervereniging Trias. In april 1995 zou hij voor het eerst op trainingskamp gaan, met de junioren. Maar de clubgenoot die hem thuis kwam ophalen, moest hij bij de deur wegsturen. Richard was bezig zijn vader te reanimeren. Ook een hartaanval.

„Het eerste wat ik na zijn dood deed”, zegt Richard, „was de frituurpan weggooien.”

Hij had het verkeerde pad op kunnen gaan. Het nachtleven in, zuipen, drugs gebruiken. Maar Richard ging werken – als een bezetene. Tegels sjouwen, tomaten en komkommers plukken, bedjes neerzetten op het strand bij Kijkduin. Dat zijn de jaren, zegt hij, waarin hij die muur heeft gemetseld in zijn geheugen.

Zijn oudere nicht en haar man kwamen bij hem wonen, als voogd. Na zijn mavo-diploma vond hij werk in een fietsenzaak. Op zijn achttiende verkocht hij het ouderlijk huis. „Ik wilde niet meer wonen in het huis waar ik mijn vader en moeder had zien sterven.”

Aan onze fietsvakantie dacht hij nog amper in die jaren. Dat was in een ander leven, aan gene zijde van de muur. Maar de liefde die in de Alpen was ontvlamd, voor het wielrennen, hielp hem die moeilijke tijd door. Het trainen zorgde voor discipline, de wielerclub gaf hem een gevoel ergens thuis te zijn. Een tijd lang reed hij koersen. Behoorlijk serieus zelfs: op zijn palmares prijken vier eerste plekken en tientallen ereplaatsen.

Richard werkt nu bij de Haagse brandweer. Hij is gelukkig op de kazerne – een baan voor het leven. Hij leerde er zijn vrouw kennen, met wie hij twee kinderen kreeg en naar Leidschendam verhuisde.

Een jaar of twee geleden zat het hem ineens dwars dat hij zo weinig meer wist van vroeger. „Mijn zoontje begon vragen te stellen over zijn opa en oma, maar ik liep tegen die muur aan.” Met een stapel albums vol zwart-witfoto’s reed hij naar een oom in Zutphen. Die middag sloegen ze een paar stevige bressen in de muur. „Ik dacht altijd dat mijn vader niet in me geïnteresseerd was. Die oom zei: hij deed alles voor je, hij was alleen áltijd aan het werk.”

Richard laat me zijn fiets zien in de schuur. Wielrennen doet hij nog steeds, rustig aan. Een lekker rondje op zondag, in zijn eentje of met zijn vrouw. „Maar ieder jaar als ik naar de Tour de France kijk, denk ik: daar heb ik ook gereden.”

Ieder jaar tijdens de Tour denk ik: daar heb ik ook gereden

Zondag 31 juli 1994: rustdag. We zijn in het dorpszwembad van Beaufort. De meligheid is bij binnenkomst al toegeslagen. We moeten verplicht een ‘speedo’ aan, zo’n strakke zwembroek. Een van de jongens ontdekt dat je sneller van de glijbaan gaat als je de zwembroek omlaag trekt – wat we vervolgens allemaal doen. Daarna is er een ander lolletje: met z’n allen bovenin de bak van de glijbaan liggen, zodat het water over de trap naar beneden stroomt. „Zo zetten we als echte a-sociale Nederlanders het zwembad op stelten”, schrijf ik pochend in mijn dagboekje. „Als de zwaar geplaagde opzichtster half huilend de glijbaan gaat afzetten, begeleiden we dat met een massaal gezongen ‘Au revoir! Au revoir!’.”

Terugkijkend valt het me op hoe los het er aan toe ging die vakantie. In mijn herinnering waren de leiders helemaal niet boos dat we uit dat zwembad gegooid werden. Ze vonden het zelfs wel grappig.

Van Jan-Pieter, een magere jongen, halverwege de twintig, type eeuwige student, mochten we als zestienjarigen gewoon bier drinken. Hij deed gezellig mee: een paar keer gooide hij ons ’s avonds achterin het busje om naar een bar-dancing te rijden. Op een dorpsfeest in Aigueblanche, op een van de laatste avonden, deed onze andere groepsleider Jeroen het licht uit.

Jeroen was begin twintig, gebronsd en hij rookte. Fietsen deed hij bij voorkeur met ontbloot bovenlijf. Op de enige serieuze klim waaraan hij meedeed, de Col de l’Iseran, kwam hij een uur na de laatste deelnemer boven. Hij was gaan uitrusten in de berm, vertelde hij, en in slaap gevallen. „Voor zijn leeftijd (23) zeer kinderachtig”, luidt Michiels beknopte samenvatting.

Een tienerkamp leiden met zo’n losse hand – je kunt het je nauwelijks meer voorstellen nu. Er was geen controledrift, er waren geen protocollen, je hoorde nooit iets over bezorgde ouders. Ik heb mijn moeder pas veel later verteld dat ik de valhelm alleen opdeed in de afdaling.

Het zal de tijdgeest geweest zijn, de jaren negentig. Maar er is nog een verklaring, denk ik: het ontbreken van smartphones en sociale media. De gevoelde afstand met thuis was veel groter. Zelf belde ik twee keer vanuit een telefooncel met mijn moeder, collect call, zodat zij mocht betalen, en ik stuurde een ansichtkaart met Alpenweides erop. Er was geen Facebook, of Instagram, geen WhatsApp-groep. Toen de touringcar ons weer in Amsterdam had afgezet, we onze tassen uit het ruim hadden gehaald en onze fietsen uit de aanhangwagen, verdwenen we weer uit elkaars leven.

Dat verklaart ook waarom ik er pas nu achter kom hoe dicht Bram bij een profcarrière is geweest.

4

Bram

Bram

Op een avond vroeg Jan-Pieter, onze groepsleider, wie zijn ringvinger en duim om zijn scheenbeen kon leggen – volgens oude wielerlegendes een onweerlegbaar teken van klimmersbenen. De enige die slaagde voor de test was Bram.

Hij was de beste wielrenner van ons allemaal. Op elke col kwam hij met speels gemak als eerste boven. Zelf was ik nooit getuige van zijn machtsvertoon, want ik kon niet met de snelsten mee. Maar de verhalen uit de kop van de koers klonken huiveringwekkend, als berichten uit de loopgraven.

Bram had iedereen er weer opgelegd vandaag. Bram had met de anderen gespééld: demarreren, terug laten komen, demarreren – net zolang tot hun moreel knakte. In het foto-album van Michiel, meestal de nummer twee, lees je een mengeling van berusting en bewondering: „Bram rijdt direct iedereen los, ik vervul weer mijn vertrouwde rol als achtervolger”.

Bram was een klein mannetje met blonde lokken. Hij kwam uit Limmen, Noord-Holland, en zat die zomer voor het eerst serieus op de racefiets. Hij praatte met bravoure over zijn duels op de bergflanken, al leek hij zelf net zo verrast door zijn prestaties als de rest van de groep. Hij genoot van de vrijheid van de vakantie. Op vrijdag 5 augustus 1994, zo lees ik in mijn reisverslag, klommen we samen over het hek van een zwembad. Geen zin om 20 frank te betalen.

Brams gezicht is niet zo veel veranderd, al is hij wat steviger. Hij lacht nog net zo vaak als toen. De vakantie in de Alpen, vertelt hij aan zijn keukentafel op een woonerf in Hoorn, was het begin van een komeet-achtige wielercarrière. Voor ons liggen de getuigenissen: plakboeken met krantenknipsels uit Wieler Revue en de Alkmaarse Courant. Op een stoel ernaast: een reusachtige stapel wielershirts, verzameld in de loop der jaren.

In juni ’95, nog geen jaar na onze vakantie, werd hij Nederlands kampioen bij de nieuwelingen. De nummer twee finishte op anderhalve minuut. Een maand later won hij een zilveren medaille op de Europese Jeugd Olympische Dagen. Zijn coach, wielerlegende Gerrie Knetemann, noemde hem in de krant „een ongepolijste diamant”. Bram werd ingelijfd door de jeugdploeg van Rabobank, ’s lands belangrijkste profteam.

De zeges bleven komen. Eendaagse koersen, etappes, eindklassementen. Hij reed tegen jongens die later wereldberoemd zouden worden: Thor Hushovd, Andy Schleck, Alejandro Valverde. De kenners zeiden: Bram de Waard uit Limmen gaat een hele grote worden.

Het liep anders. Hij ging van de junioren naar de amateurploeg van Rabobank, het voorportaal van het profwielrennen. En daar stokte het. „Jongens uit andere landen reden me ineens links en rechts voorbij. Niemand die me uitlegde hoe het zat.”

In 1994, toen wij op water en bananen de Alpen opreden, was er al enige tijd een geheim middel in omloop in het profpeloton. Het werkte als een malle en er was nog geen goede test om het op te sporen. Wie het niet gebruikte, kon simpelweg niet meekomen.

En dus kwam Bram, net als alle jongens van zijn generatie, voor de keuze te staan. „Als ik de Tour wilde rijden, moest ik aan de epo.”

Het was een lange worsteling tussen geweten en ambitie. „Ik stond op het punt om een sportarts te bellen en te zeggen: oké, leg me maar uit hoe het werkt.” Maar hij schoof het besluit voor zich uit.

Hij ging weg bij Rabobank, koerste voor kleinere ploegen. Aan opgeven wilde hij nog niet denken. „Ik was het wielertalent Bram de Waard uit Limmen. Mijn ouders, mijn vrienden, de mensen in het dorp – iedereen had verwachtingen.”

Het kantelmoment kwam in januari 2001, op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. Hij had een koers gereden en was er een paar dagen op uit getrokken, op de fiets, met een rugzakje. Hij was een bergpas overgegaan en had overnacht in een backpackershotel. „De volgende dag reed ik over een landweggetje. Ik stopte om even naar een paar koeien te kijken. Ineens stond ik te janken. Alles kwam boven: de spanning, de verwachtingen, de teleurstellingen.”

Aan het eind van dat jaar nam hij zijn besluit. Geen doping, geen profcontract, geen wielercarrière. „Ik besefte dat ik fietste voor het plezier en het avontuur. Als ik elke ochtend twee spuiten in mijn kont zou moeten zetten, was dat weg.”

Hij reed nog twee seizoenen. Toen organiseerde hij een afscheidskoers, zette zijn fiets in de schuur en vond een baan in de gehandicaptenzorg. Moeilijke jaren volgden. „Maar ik kwam ook met mijn voeten op de grond. Sociaal bakte ik er in mijn tijd als wielrenner niets van. Ik heb geleerd met mensen om te gaan.”

In de zorg ontmoette Bram zijn vrouw. Hij verhuisde naar Hoorn, kreeg twee kinderen, ging werken in een supermarkt in Purmerend. Hij is er nu chef van de groenteafdeling. In zijn vrije tijd schrijft hij liedjes. Af en toe treedt hij op met zijn gitaar.

„Kijk, nu woon ik in een rijtjeshuis. Dat is niet verkeerd, begrijp me goed. Maar ik had misschien ook als miljonair in Italië kunnen wonen, getrouwd met een model. Dus ik snap heel goed dat die andere jongens wél doping zijn gaan gebruiken. Als ze het niet deden, was het afgelopen. Dan was alles weg.”

Wat hem van onze vakantie het meest is bijgebleven, zegt Bram, was het gevoel van vrijheid en avontuur. In zijn jaren als renner is hij dat blijven nastreven. „Eigenlijk vind ik dat nog steeds het mooiste. Gewoon ergens op de bonnefooi naartoe gaan. Volgend jaar wil ik met een vouwfiets naar Schotland.”

Hij grabbelt in de stapel wielershirts. „Ik heb nog gezocht naar de bolletjestrui van onze vakantie, maar kon hem nergens vinden. Vreemd, want ik heb toen die tijdrit gewonnen.”

Ik vertel hem dat het anders zit. Ja, op iedere col was hij de snelste. Behalve bij de tijdrit – die won Michiel.

„Nee, echt?”

Ik laat hem het klassement zien op mijn telefoon.

Hij kijkt op van het schermpje. In zijn ogen zie ik de bravoure van 1994. „Dan moet er iets misgegaan zijn met de tijdmeting”, zegt hij. „Want ik was echt de beste.”

Ik had in Italië kunnen wonen, getrouwd met een model

De laatste dagen verliepen chaotisch. De pinpas van Vinea deed het niet meer, waardoor we een dag langer op de camping in Aigueblanche moesten blijven en op een avond alleen stokbrood met knakworst aten, betaald van Jan-Pieters geld. Op de laatste fietsdag, terug naar het Meer van Annecy, wilde het witte busje niet meer rijden. „Jeroen, onze ‘toffe’ kampleider, heeft hem gesloopt”, schrijft Michiel in zijn reisverslag. „De Col de la Madeleine afdalen in z’n vijf en remmen met de handrem.”

Door de panne werd de laatste etappe ingekort. Langs een drukke autoweg fietsten we terug naar Annecy, terwijl Jan-Pieter en Jeroen een nieuw busje regelden. Michiel en ik lieten het er niet bij zitten: halverwege piepten we er samen tussenuit om stiekem de Col de la Forclaz te beklimmen („zware klim, Michiel als eerste boven”). Een dag later stapten we in de touringcar, terug naar Nederland.

We hadden nog een reünie, in de Amsterdamse bovenwoning van Jan-Pieter. Het was koud en het regende – het zal oktober of november geweest zijn. Je voelde meteen dat de magie van die zomer verdwenen was. Zonder de zon en de bergen en de felgekleurde wielerpakjes waren we gewoon een groep Hollandse jongens die elkaar niet zo veel te melden hadden. We wisselden foto’s uit en bakkeleiden over de te draaien cd’s. Jan-Pieter raakte geïrriteerd en koos voor een pragmatische oplossing: Africa van Toto, op repeat.

Juni 2020. Ik stuur Michiel, Richard en Bram nog een appje. Wat zouden ze zeggen, vraag ik, tegen de zestienjarige versie van zichzelf die rondreed in de Alpen?

Bram reageert als eerste. Lange tijd, zegt hij, heeft hij een negatief gevoel overgehouden aan zijn wielercarrière. „Maar door die gesprekken met jou denk ik: wat héb ik er eigenlijk een avontuur van gemaakt.”

Zijn boodschap: „Enjoy the ride! Geniet van het avontuur dat je te wachten staat.”

Richard appt: „Van tegenslagen word je sterker, blijf volhouden!!” In die tijd, voegt hij toe, gaf hij bij het minste of geringste op. „Dat doe ik nu niet meer.”

Ik ben verbaasd. Hij sloeg zich op die leeftijd toch juist door twee onvoorstelbare tegenslagen heen?

„Ja, dat is zeker waar”, zegt hij. Bij nader inzien geeft hij de zestienjarige Richard een andere boodschap mee: „Schrijf je mooie herinneringen op zodat je ze niet vergeet.”

Michiel stuurt een kant-en-klaar briefje aan zichzelf.

Hoi Michiel,

Wat stoer dat jij dit doet. Ik had nooit verwacht dat jij, verlegen en onzeker jochie, met een groep onbekende leeftijdsgenoten op vakantie zou gaan. Maar jij wilde zó graag met de fiets de bergen in, jouw wielerhelden achterna, dat alle schroom plotsklaps verdween. Misschien besef je dit nu niet, maar je leerde daarmee een hele wijze les.

Laat je niet leiden door je angsten en onzekerheden, maar volg je passie.

Blijf hier scherp op, Michiel. En het allerbeste.

Foto’s privéarchief.

Correctie (6 juli 2020): In een eerdere versie van dit verhaal werd Bertus Staigerpaip een „Twentse rockband” genoemd. De band komt uit Geertruidenberg, Brabant.