Jaap Scholten-Haarle-Annabel Oosteweeghel 2020

Annabel Oosteweeghel

Interview

‘Ik kom maar niet los van mijn familie’

Moeder en zoon Het was niet zijn bedoeling, maar toch schrijft Jaap Scholten altijd over zijn familie. „Er zitten nog zoveel verhalen in.” Volgens zijn moeder zit het er dik in dat hij z’n talent van haar heeft.

Een dun boekje in een oudroze band, fluweelzacht, de bladzijden verkleurd door ouderdom. Herinneringen en wenken heet het en de schrijver is C.T. Stork. „Mijn betovergrootvader en jouw overgrootvader”, zegt Jaap Scholten terwijl hij het boekje over tafel naar zijn moeder schuift. Ze zit schuin tegenover hem, in de keuken van zijn Amsterdamse pied-à-terre. „Hij schreef het op zijn zesenzestigste en het is echt geweldig.” Charles Theodoor Stork (1822-1895), grondlegger van de machinefabriek Gebr. Stork & Co in Hengelo, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

„Ik ken het niet”, zegt zijn moeder, Heleen Stork. Ze draait het boekje om en om en strijkt erover met een wijsvinger. „Ik ken alleen de brieven uit zijn nalatenschap waarin hij zijn kinderen toespreekt.”

„Dit is een pamflet”, zegt Jaap Scholten. „Het begint met een beschrijving van Twente, heel sociologisch, hoe arm het is, hoe achtergebleven, verstoken van iedere verbinding met het westen, met feodale verhoudingen nog en geen kans voor een middenstand. Hij begrijpt waarom de mensen smokkelen, wat moeten ze anders? Ze verdienen er meer mee dan met heideplaggen snijden. Zijn boodschap is dat de overheid haar verantwoordelijkheid moet nemen voor een goede infrastructuur en goed onderwijs.”

„Hm, hm”, zegt zijn moeder. Ze draait het boekje nog een keer om. „Hoe kom je eraan?”

„Uit de bibliotheek van oom Coen, in zijn huis aan de Amstel. Ik heb het opnieuw laten inbinden.” Jaap Scholten staat op om koffie te zetten en roept boven het lawaai van de bonenmaler uit dat C.T. Stork op zijn beurt wel de verantwoordelijkheid voor zijn werknemers nam. „Er moest goed voor ze gezorgd worden en hij vond dat ze een aandeel in de winst moesten kunnen krijgen. Bijna anderhalve eeuw geleden!”

„Heel sociaal”, zegt zijn moeder. „Zo waren mijn vader en mijn grootvader ook. Toen het in de crisisjaren niet goed ging met het bedrijf zijn mijn grootouders in een kleiner huis in Hengelo gaan wonen. Niemand werd ontslagen.”

Haar vader was Frans Stork (1905-1977), ‘meneer Frans’ voor zijn werknemers, zo waren de verhoudingen ook wel weer. Hij was de laatste van de familie die nog directeur van de machinefabriek was en hij speelt als Balthasar Dupont een rol in Suikerbastaard, het nieuwe boek van Jaap Scholten. Balthasar zou de vader zijn van een Ethiopische zoon, verwekt in de tijd dat de firma Dupont (lees: Stork) voor keizer Haile Selassie suikerfabrieken bouwde in Ethiopië, jaren vijftig. Kleinzoon Frederik (Jaap Scholtens alter ego) gaat in Ethiopië op zoek naar die zoon en vindt hem ook, behalve dan dat die tot Frederiks opluchting een andere vader blijkt te hebben.

„Het zou ook godsonmogelijk zijn geweest”, zegt Heleen Stork. „Mijn vader die een zoon zou hebben gehad in Ethiopië.”

„Opa was er niet avontuurlijk genoeg voor”, zegt Jaap Scholten. „Te integer, te sociaal voelend ook. Maar het gerucht ging wel.”

„Hij zou zich nooit, nooit, nooit aan een Ethiopische vrouw vergrepen hebben. Ik zal van geen man zeggen dat die een heilig boontje is en ik denk dat veel mannen het leuk vinden om eens wat buiten de deur te doen, en van mij mag het, tot op zekere hoogte, maar mijn vader – nee. Bovendien werd hij altijd vergezeld door mensen van Stork die eh, hoe zeg ik dat, lager in rang waren dan hij. Alleen al tegenover hen zou hij het zich niet gepermitteerd hebben om ook maar te glimlachen naar een andere vrouw.”

Jaap Scholten schrijft in Suikerbastaard dat kleinzoon Frederik op zijn achtste met zijn opa mee op dienstreis mag naar Ethiopië, maar dat is verzonnen. Een echte (en zijn pijnlijkste) herinnering aan opa staat beschreven in Horizon City, de op brieven, dagboeken en andere documenten gebaseerde geschiedenis van zijn familie, Stork en Scholten. Hij is dertien en staat hout te hakken bij het huis van zijn grootouders aan de Grundellaan in Hengelo. Opa ziet hem klungelen, doet voor hoe het moet – „laat de bijl het werk doen” – en stapt in zijn auto om duiveneitjes weg te brengen die moeten worden uitgebroed. In zijn schaarse vrije tijd is Frans Stork duivenmelker. Onderweg wordt hij frontaal aangereden door een tegenligger en hij sterft ter plaatse.

Bij mijn eerste boek deed mijn grootmoeder me twee jaar in de ban’

Jaap Scholten

Heleen Stork is van 1934, de oudste van zeven kinderen. Ze herinnert zich dat haar moeder voor de oorlog op de fiets naar Enschede ging om groente te kopen omdat die daar een paar cent goedkoper was. Pas in de wederopbouw kwam de fabriek weer tot bloei. „Stork was toen booming”, zegt ze. Haar jongste broer en zus konden naar een winkel gaan en op rekening hockeysticks en andere spullen kopen, gewoon vanwege hun achternaam. „Ik heb dat nooit meegemaakt.” Ze werd opgevoed zoals zoveel meisjes in die tijd werden opgevoed: zonder de verwachting dat ze serieus zou gaan leren en studeren, laat staan werken.

Jaap Scholten: „Je ging wel naar het gymnasium.”

Heleen Stork: „Als de conciërge de absenten had opgenomen, klom ik door het raam weer naar buiten.”

„Je ging eraf omdat je verliefd werd, toch?”

„Dat verhaal hoeft nu niet te worden verteld.”

„Jawel. Je was verliefd op een vriendje van je broer Coen en hij zat op de tropische landbouwschool in Deventer, waar ook een mms was en jij wilde naar die mms.” Mms: middelbare meisjesschool.

Heleen Stork: „Ik maakte mijn moeder er helemaal gek mee en op een dag kwam ze met het nieuws, het vreselijke nieuws, dat er in Enschede ook een mms kwam en daar” – ze lacht vol zelfspot – „moest ik toen naartoe.”

Daarna: hotelschool in Lausanne, want dat deed een vriendinnetje van haar ook. En ’s zomers naar familie op een landgoed in Wales, voor haar talen en manieren.

Ze trouwde in 1956 met Harm Scholten (1933-2019), die uit een Enschedese textielfamilie kwam. Ze kreeg vier zoons met hem, Jaap is de jongste, uit 1963. Drie jaar later, en hier neemt haar verhaal een voor die tijd ongebruikelijke wending, ging ze bij hem weg. „Ja, waarom”, zegt ze. „Ik was verliefd op iemand anders. We kenden elkaar van het schoolplein. Maar als dat niet was gebeurd, was ik ook weggegaan. Harm was een ontzettend aardige man, alleen was het tussen ons eh…”

Jaap let nu heel goed op.

„…wel een beetje over. Achteraf realiseer je je dat het voor de kinderen niet leuk was. Het is in principe een egoïstische daad. Meer wil ik er niet over zeggen.”

In 1968 trouwde ze opnieuw, met de man op wie ze verliefd was geworden, een arts. Twee jaar later kreeg ze met hem nog een zoon en in 1971 stierf hij, onverwachts. De wet van Spengler, Jaap Scholtens roman uit 2008, gaat deels daarover. Hebben die gebeurtenissen, in zijn kinderjaren, een schrijver van hem gemaakt?

Jaap, aarzelend: „Ja, nou, ja, misschien. Ik ben een observerend iemand, van nature stil. Maar ik ben ook de vierde zoon, en in Twente was het nog heel lang zo dat alles ging om de oudste zoon. Zo was het bij de boeren en zo was het ook in de fabrikantenfamilies.”

Heleen Stork: „Bij de textielfabrikanten. Niet bij ons. Bij de textielfabrikanten in Enschede was het heel belangrijk dat de oudste een jongen was. De vader van jouw vader, jonge, jonge, wat kreeg ik een prachtige juwelen van hem toen mijn eerste geboren was. Bij de jongens die erna kwamen was het heel anders.”


Jaap: „Hengelo en Enschede liggen tien kilometer bij elkaar vandaan, maar het zijn verschillende universums. In Hengelo, in de machinebouw, was iedereen hoger opgeleid, en de industrie was zo kapitaalintensief dat er vreemd vermogen in moest. Vanaf het begin waren er investeerders van buiten, families uit het westen, Mees, Thorbecke, en die hadden een andere mentaliteit. De Enschedese families waren gesloten. Het werk in de fabriek was grotendeels ongeschoold, ze hoefden geen goed opgeleide mensen van buiten te halen, ze hoefden niet hun best te doen om die mensen vast te houden, en investeerders hadden ze ook niet nodig. Een scheiding tussen het familievermogen, of het privévermogen, en het fabrieksvermogen was er niet. Kreeg jij” – hij kijkt naar zijn moeder – „je geld nog rechtstreeks van de fabriek?”

„Je vader, ja. Alle rekeningen liepen over de fabriek.”

„Dat bedoel ik. Oudste zoons hadden de verplichting om hun broers en zussen levenslang te onderhouden en dat maakte hen tot heel verantwoordelijke figuren, heel conservatief.”

Heleen Stork: „En al die families trouwden onderling dan weer.”

„Om het vermogen bij elkaar te houden. Ik heb altijd wel het idee gehad dat jouw moeder in Hengelo met enig dedain naar Enschede keek.”

„O, ja, ja.”

„Zij kwam uit Amsterdam.”

Heleen Stork: „Wat jij net zei over je beschouwende karakter, of hoe noemde je het, dat herinner ik me al van toen je nog heel klein was. We woonden in Weert, het was na de scheiding, en jij fietste op je driewieler over de stoep, in je uppie, weet je dat nog? Na een halfuur ging ik dan maar eens kijken waar je uithing. Mijn jongere broer en met name mijn schoonzusje zeiden altijd dat jij niet voor je tweede praatte.”

Jaap: „Voor mijn vierde!”

„Je was gewoon tevreden met het bestaan, of je nou in de box zat of wat anders deed. Rustig.”

„En zo ben ik gebleven.”

Nee, de scheiding herinnert hij zich niet. Wel dat ze in een flat woonden en hij een keer met een oudere broer vast kwam te zitten in de lift. En dat er geen geld was. Niemand was enthousiast geweest over wat Heleen Stork haar move noemt, noch haar ouders en schoonouders, noch haar vrienden, en hulp kreeg ze niet.

„Wilde je ook niet”, zegt Jaap.

„O nee. Nee!”

„Dus was het bijna honger lijden. In het voorjaar moesten mijn broers en ik ’s morgens voor school aardbeien gaan plukken om wat geld te verdienen.” Jaap, die later in zijn leven sociale antropologie studeerde in Boedapest, waar hij sinds 2003 woont, met zijn Hongaarse vrouw en tot voor kort ook met hun drie zoons (ze zijn nu het huis uit), zegt dat het „financieel en sociaal kapitaal” van zijn moeder in die jaren weg was. Maar het cultureel kapitaal was er nog wel. „En ik vind”, zegt hij tegen haar, „dat jij wat dat betreft voor ons voorbeeldig bent geweest. Het leven was vrij hard en vrij armoedig, maar je klaagde nooit. Als we bij onze grootouders logeerden, met name bij die aan de Scholten-kant…”

„Dan werden jullie opgehaald door de chauffeur van mijn vader.”

„…en zoefden we in die heerlijk ruikende auto van Limburg naar Twente. We kwamen terecht in een ouderwets leven op een buiten, met grote fazantenjachten en gasten die met hun eigen toestellen vanuit Londen, Frankfurt en Wenen kwamen ingevlogen. Maar je stimuleerde ons ook om op vechtsporten te gaan. Toen we weer in Hengelo woonden, trainden we twee keer per week met Turkse en Marokkaanse jongens in de karateschool van Orlando Neslo. Dat ik ben gaan schrijven, komt denk ik ook doordat ik van jongs af gewend ben geweest om in verschillende werelden te leven.”

‘Ik vond het zo stom. Waarom maakte je die studie niet even af?’

Heleen Stork

Hij vertelt dat Tommy Wieringa, met wie hij bevriend is, ooit qat kauwend in de trein tussen Djibouti en Addis Abeba zat en met zijn hoofd uit het raam tot het inzicht kwam dat zijn leven en zijn familie niet voldoende materiaal boden om een oeuvre bij elkaar te schrijven. „Hij besloot dat hij de stap naar totale fictie moest maken. Toen hij me dat vertelde, een jaar of tien geleden, dacht ik: dat moet ik ook doen.”

„O ja?”, zegt Heleen Stork.

„Ja, maar ik kom maar niet los van mijn familie. Er zitten nog zoveel verhalen in, en ook in de familie van Ilonka.” Ilonka Jankovich is zijn vrouw. „Dat portret daar” – hij wijst naar de wand achter de tafel – „is van haar tante Agnes, die Ravensbrück heeft overleefd. Er zijn medische experimenten op haar gedaan, andere tantes zeggen door Mengele zelf, in elk geval heeft ze nooit kinderen kunnen krijgen, en daarom vind ik het zo mooi…”

„…dat ze daar omringd door de portretten van jouw kinderen hangt”, zegt zijn moeder.

„Ja”, zegt Jaap.

Hoeveel vrijheid heeft hij om over zijn familie te schrijven? Krijgt hij nooit klachten?

„O jawel. Bij mijn eerste boek, Tachtig, uit 1995, heeft mijn grootmoeder, de moeder van mijn vader, me twee jaar in de ban gedaan, ik denk vooral omdat ik de grootvader in dat boek als een potentaat had afgeschilderd.”

Heleen: „En dan had je je nog zachtjes uitgedrukt.”

Jaap: „Ik had uit de school geklapt en dat was niet de bedoeling in dat milieu. Familieleden zeiden dat ze een rechtszaak zouden aanspannen. Of ze gingen naar de boekhandel in Enschede: als jullie dat boek van Jaap Scholten verkopen, komen we hier nooit meer.”

„Heel bekrompen.”

„Maar ik ben wel voorzichtiger geworden en in Suikerbastaard…”

„O, ja, dat wilde ik je nog vertellen”, zegt Heleen Stork. „Een neef van Wouter belde en zei: heb je dat nieuwe boek van Jaap al gelezen?” Wouter is de man met wie ze nu twintig jaar samenleeft, in Wassenaar. „Hij zei: ik zal je even een stukje voorlezen, en dat was het stukje waarin jij schrijft dat mensen niet moeten scheiden. En ook dat jij geen respect hebt voor zogenaamde stiefvaders. Daar staat dus heel duidelijk jouw mening.”

„Niet mijn mening”, zegt Jaap, die zijn irritatie probeert te verbergen. „Het is de mening van Frederik.”

„Het stoort mij totaal niet, hoor”, zegt zijn moeder. „Maar die neef gaat Wouter daar zeker mee pesten.”

Jaap Scholten studeerde industriële vormgeving in Delft toen hij besloot om schrijver te worden en te stoppen met zijn studie. Wat vond zijn moeder daarvan?

„Zeer matig.”

„Zacht uitgedrukt”, zegt Jaap.

„Ik bedoel dus uitgesproken dom. Het is jammer als je de potentie om je studie af te maken wel hebt, en toch capituleert. Maar goed, ik heb mijn best gedaan en eh…” Ze glimlacht naar haar zoon. „Het is toch helemaal goed met je gekomen.”

Jaap: „Je was enorm gedreven om ons allemaal naar de universiteit te krijgen, ook omdat je zelf zo stom was geweest om naar de mms te gaan, en daarbij kwam: ik hoefde in Delft nog maar drie tentamens te doen.”

‘Ik vond die invloed van A.L. Snijders op jou toen heel vervelend’ vond, vooral omdat ik niet verwachtte er ooit enig resultaat van te zullen zien.

Heleen Stork

„Precies. Daarom vond ik het zo stom. Waarom maakte je die studie niet even af?”

Jaap: „Als het een zoon van mij was geweest, had ik dat ook gezegd. Maar ik wilde niet meer. Ik had een stage gedaan bij Philips in Parijs en daar had ik de oplichterstaak gehad om de buitenkant van radio’s opnieuw te ontwerpen, zodat ze aan andere doelgroepen verkocht konden worden. Andere kleur, andere belettering, zelfde apparaat. Volksverlakkerij was het. Sowieso heb altijd een diepe afkeer gehad van de consumptiemaatschappij en ontwerpers vond ik aanstellers die meer met hun haar bezig waren dan met wat anders. Ik was doodsbang om deel uit te gaan maken van die wereld. Ik had in die tijd een vriendinnetje en haar vader…”

Heleen Stork: „O ja. Haar vader.”

„…was A.L. Snijders, en van hem leerde ik eh… kijk, bij ons thuis vroeger stonden alleen de bestsellers in de kast, zoals bij de meeste mensen. Jij kan niet zeggen” – hij kijkt naar zijn moeder – „dat jij een heel ontwikkelde literaire smaak had, of hebt.”

„Nee. Nooit aan toegekomen.”

„Daar had je geen tijd voor. Dus bij ons in de kast stonden boeken als Wie is van hout van Jan Foudraine en Mila 18 van Leon Uris, en natuurlijk die hele serie over de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong. Zelf had ik de literatuur al ontdekt door Kroniek van een aangekondigde dood van Gabriel García Márquez, en toen…”

„Wacht”, zegt zij. „Ik wil nog wat anders zeggen.”

„…leerde ik de dochter van A.L. Snijders kennen. Ik was vijf jaar met haar en ik was heel vaak bij hen thuis, en A.L. Snijders zei wie ik allemaal nog meer moest lezen. Reve, Nescio, Isaak Babel, John Cheever, Elsschot. Niet Mulisch, dat vond hij niks.” Tegen zijn moeder: „Wat wilde je zeggen?”

„Dat ik op de middelbare school zeer in literatuur geïnteresseerd was en tot twee keer toe is er een opstel van mij gepubliceerd in de plaatselijke krant.”

„O ja? Wat leuk!”

„Ja. En ik kan nu nog boos op mijn moeder zijn, want toen ik in Lausanne zat is ze gaan opruimen en heeft ze alles wat zij rotzooi vond weggegooid.”

„Dus ik heb mijn talent van jou?”

„Zit er dik in. Serieus.”

„Dat was op de mms?”

„Op de mms, ja. En wat ik ook wil zeggen: dat ik die invloed van A.L. Snijders op jou toen heel vervelend vond, vooral omdat ik niet verwachtte er ooit enig resultaat van te zullen zien. Daar heb ik me gelukkig in vergist. Maar toen, je woonde met een paar vrienden van je in dat antikraakpand in Rotterdam…”

„Het was een huurpand. Een prachtig oud winkelpand. We huurden dat.”

„Inclusief de muizen.”

„Ratten. Het waren ratten.” Hij lacht. „’s Nachts legden we voer voor ze neer en gingen we met buksen op ze jagen. We begonnen een ontbijtcafé en dat was een enorm succes, en ik had allerlei baantjes, tankercleaner, barkeeper. En ik ben naar de kunstacademie gegaan.”

Heleen knikt. „Dat was een goed besluit.”

Jaap: „Ik kon meteen in het derde jaar beginnen, want in Delft had ik al heel veel gemaakt. Affiches, meubels, van alles. En ’s nachts probeerde ik te schrijven. Mijn eerste verhalen heb ik in die jaren geschreven.”

Heeft hij overwogen om van Suikerbastaard geen roman te maken maar non-fictie, en de zoektocht naar de waarheid over zijn grootvader, meneer Frans, te presenteren als een feitenrelaas?

„Nee”, zegt hij. „Ik wilde mijn grootvader beschermen, en ik wilde er ook een love story in hebben, daar had ik zin in, en dat is het verhaal geworden van Marinus die met andere Stork-jongens in Ethiopië een suikerfabriek gaat bouwen en ondertussen droomt van Mirjam, die in Nederland op hem wacht.”

En de brieven die hij naar haar schrijft? De dagboeken waaruit geciteerd wordt?

„Die heb ik allemaal verzonnen.”

Heleen Stork

Heleen Stork (Hengelo, 1934) is een achterkleindochter van C.T. Stork, de grondlegger van de machinefabriek Gebr. Stork & Co. Ze trouwde jong met Harm Scholten, die uit een geslacht van textielfabrikanten in Enschede stamde. Na vier zoons scheidde ze van hem. Ze woont in Wassenaar.

Jaap Scholten

Jaap Scholten (Enschede, 1963) werd als schrijver bekend door Kameraad Baron uit 2010, waarvoor hij de Libris Geschiedenis Prijs kreeg. Dat boek gaat over het verdwijnen van de Transsylvaanse aristocratie. Scholten is getrouwd met de dochter van een Hongaarse vluchteling. Ze wonen deels in Hongarije.