Reportage

Het gevoel in de vingers is er bij de judoka’s nog

Judo Contactsporten zijn per 1 juli weer toegestaan. Tot opluchting van de nationale judoselecties, die de laatste maanden noodgedwongen met poppen trainden.

De eerste contacttraining sinds de coronacrisis van de nationale judoselectie, woensdag op Papendal .
De eerste contacttraining sinds de coronacrisis van de nationale judoselectie, woensdag op Papendal . Foto’s Merlin Daleman

Op Papendal loopt Noël van ’t End een beetje rusteloos door het sportrestaurant. De judoka is uit zijn doen, zenuwachtig voor de eerste échte training na de coronacrisis, bekent hij. De wereldkampioen weet niet wat hem overkomt. Trainen is normaal gesproken een ritueel, een automatisme, maar niet als je drie maanden in de wacht hebt gestaan.

Van ’t End haalt de handen uit de zakken en laat zijn vingers zien. Gehavende, kromme tengels, waarvan het arbeidsethos afdruipt. Gebrandmerkt door jarenlang sjorren aan judopakken. Grip is essentieel in het judo en Van ’t End heeft er zijn specialisme van gemaakt. Het bracht hem augustus vorig jaar in Japan de wereldtitel in de klasse tot 90 kg, maar ook een erfenis van knokige knuisten.

Hoeveel pijn doen zijn vingers? Hoeveel kracht is verloren gegaan? Is het vastpakken van een tegenstander even vertrouwd als voorheen? Vragen die Van ’t End bezighouden als hij na drie maanden fitnessen op het nationale sportcentrum in de buurt van Arnhem, eindelijk weer een gangbare judotraining kan afwerken.

Judoën kan Van ‘t End, en wedstrijdfit worden is een kwestie van routineus een schema afwerken, maar keert de kracht in die aangetaste vingers terug? De herstart van de training met de nationale selectie zal hem het antwoord geven. Vragen, vele vragen dwalen door zijn hoofd, vandaar die onrust.

Een half uur later dartelen in de Ruskahal tientallen judoka’s over de tatami, als vrolijke koeien die na maanden stal-arrest de wei weer in mogen. Ze mogen elkaar weer vastpakken, omklemmen en tegen de grond smijten, kortom weer betekenis aan hun bestaan als judoka geven. Met dank aan het kabinet, dat onverwacht de vergaande coronabeperkingen voor sporters per 1 juli ophief. Een even grote zegen als opluchting voor contactsporters.

Waarom pas nu?

Ze willen niet ontevreden overkomen, de judoka’s zijn juist opgetogen, maar hun klemmende en licht verwijtende vraag blijft: waarom pas nu? Waarom geen gelijkschakeling met kappers en fysiotherapeuten, een maand geleden? De protocollen waren gemaakt en trainingen zouden in kleine groepen makkelijk uitvoerbaar zijn geweest. Ze zijn een maand te lang gevangen gehouden, vinden de mannen van de nationale selectie.

Bondscoach Maarten Arens zag al die weken knarsetandend de concurrentie in andere landen voluit trainen. Hij wil niemand verwijten maken, maar een restantje frustratie zorgt na de eerste training toch voor een paar boze woorden. De judoka’s hadden het gehad met die ‘dooie’ werppoppen waarmee ze zich moesten behelpen. „Je mist de actie en reactie en blijft zitten met het gevoel: wat heb ik eigenlijk gedaan?”, vat Arens de gevoelens in coronatijd samen.

Nee, dan het echte werk. Gretig voeren de judoka’s hun randori-oefeningen uit; heerlijk sparren, tegenstander vastpakken, aan pakken trekken. De techniektraining is voor later, eerst dat oergevoel terugkrijgen. Om volgens de voorschriften na een uurtje trainen weer anderhalve meter afstand van elkaar te nemen. Al wordt die anderhalve meter in de Ruskahal niet heel stringent opgevolgd, misschien in de wetenschap dat iedereen negatief uit de verplichte coronatest is gekomen.

Opwinding en verdriet

In de belendende zaal mengt bij de vrouwen van de nationale selectie de opwinding zich met verdriet. Voor aanvang van de training wordt stilgestaan bij de plotse dood van judoka Ilona Lucassen, die onlangs op 23-jarige leeftijd besloot uit het leven te stappen. Na een korte ‘in memoriam’ zweven ook zij over de tatami, maar de hoofden voelen zwaar.

„Weet je”, zegt routinier Marhinde Verkerk, „Ilona was een gezellige meid, heel erg aanwezig, en dan plotseling dood. Het blijft maar door mijn hoofd spoken. Ze stond vaak als eerste op de mat, beetje voetballen, dat beeld verdwijnt niet van mijn netvlies. Steeds moet ik aan haar denken, verschrikkelijk.”

Fit is ze, Verkerk. Maar judofit? Verre van. Ondanks haar wrakke knieën heeft de Europees en wereldkampioen zelfs hardgelopen. Kun je nagaan waartoe een lockdown leidt. En ze heeft op de racefiets gezeten, samen met haar vriend. Dat was dan wel weer gezellig, samen trainen. Of samen traploopoefeningen doen. Maar het blijft surrogaat, ervaart Verkerk bij terugkeer op de tatami. En de vrouwen zijn dusdanig opgetogen dat ze zich na afloop van hun eerste training dansend en springend laten filmen voor een item op social media.

En de vingers van Van ’t End? Hoe hielden die zich? Goed, verklaart de judoka na de training opgelucht. Er sijpelt weliswaar bloed over zijn vingertoppen, maar dat mag volgens Van ’t End geen naam hebben. Dat is gebruikelijk. Het gevoel in zijn vingers is terug, hij heeft weer grip op een judopak, dat geeft vertrouwen voor de toekomst.

Laat de toernooien maar komen. Welke dat precies zijn, is onduidelijk. Maar de EK, begin november in Praag, dat moet toch haalbaar zijn, hopen, smeken en bidden ze op Papendal.