Illustratie Lynne Brouwer

17 minuten lang schijnt de zon diep de grafheuvel in

Zomerserie De Zon: Goden

Zonnecirkels, zonnetunnels, zonnehoeden: uit de prehistorie stamt veel zonnesymboliek. Maar of dat allemaal wijst op zonneverering is nog maar de vraag.

Wervelende spiralen warmen de bezoeker op bij de ingang van de grootste grafheuvel uit de Europese prehistorie. Het Ierse Newgrange-graf ligt als een bijna negentig meter brede ufo in een bocht van de rivier Boyne, veertig kilometer ten noorden van Dublin. De twaalf meter hoge heuvel is gebouwd rond 3200 v.Chr., door de eerste landbouwers die Ierland bereikten. Dezelfde werveling van drie spiralen die in elkaar draaien is ook diep in de heuvel te vinden, gegraveerd op een muur van de kleine grafkamer.

Het grootste wonder van Newgrange vindt plaats rond 21 december, als de dagen het kortst zijn. Dan vallen een paar dagen lang bij zonsopgang zonnestralen door de opening boven de deur precies door de negentien meter lange gang. Maximaal zeventien minuten schijnt de zon in het diepst van de grafheuvel.

Ieder jaar weer loten tienduizenden belangstellenden mee voor een plaatsje in de kleine grafkamer op dat moment suprême. Vroeger was het waarschijnlijk een evenement voor de elite. In een vorige maand verschenen dna-onderzoek van botten uit de tombe werd het bouwtechnisch zonnehoogstandje omschreven als een aanwijzing voor een hiërarchische samenleving in deze vroege Ierse landbouwtijd. Want alleen een kleine elite, samengepakt in de kleine grafkamer (3 bij 3 meter, 6 meter hoog), kon het jaarlijkse zonnebad nemen, bij de graven van hun voorouders.

Het zonlicht treft die diepte van de grafkamer pas weer sinds de jaren zestig, toen de archeoloog Claire O’Kelly met haar man Michael de opening boven de deur vrij maakte van stenen, mede omdat ze een oude Ierse legende kende dat de zon de spiralen in de grafheuvel zou kunnen verlichten. Een iets jongere grafheuvel op een van de Orkney Eilanden (600 km naar het noordoosten, aan de andere kant van Schotland) heeft een vergelijkbare constructie. Ook op het complex van Newgrange zelf, met tientallen andere grafheuvels, zijn er andere ‘zonneconstructies’.

Waarom zo’n zonneflits in december? Gewoon ‘omdat het kon’? Of is er een diepere betekenis? In haar overzichtswerk The Sun-Gods of Ancient Europe (1991) gaat de keltoloog Miranda Green (Cardiff University) mogelijke verklaringen langs. Het bijzondere lichtmoment is misschien ontworpen om de doden te ‘verwarmen’. Of misschien werd juist de zon zélf versterkt door de bijzondere aanraking van de grafkamer, zodat daardoor de dagen weer langer konden worden. En misschien functioneerde de grafheuvel ook als ijking voor een kalender. Want voor boeren is het nuttig te weten wanneer ze kunnen gaan ploegen en zaaien.

Ook elders in Europa zijn uit de periode rond het derde millennium v.Chr., op de grens van steen- en bronstijd, megalithische monumenten bekend die op de zon zijn georiënteerd. In het Engelse Stonehenge, de beroemdste, komt de zon op midzomer precies achter de centrale ingang op en valt het licht op het centrum van het monument – nog altijd jaarlijks een ‘hippiefestijn’. Bij de Nederlandse hunebedden is de zonneoriëntatie minder duidelijk, maar ook die zijn zo’n beetje oost-west gebouwd.

Gouden zonnehoeden

Waarom? Miranda Green ziet in de bouwsels het begin van een lange periode van ‘heidense’ zonneverering die doorgaat tot de Keltische en de Romeinse tijd, drieduizend jaar later. Overal op monumenten en gebruiksvoorwerpen verschijnen behalve spiralen ook cirkels met een kruis erdoor, of met streepjes die er als stralen uitkomen. Vooral in de bronstijd, vanaf ongeveer 2000 v.Chr., zijn die symbolen bijna overal te vinden, van Scandinavië tot Italië. Heel speciaal zijn de met cirkels bezaaide gouden ‘zonnehoeden’ die in Zuid-Duitsland, Zwitserland en Frankrijk zijn gevonden. (ca. 1000 v.Chr).

Het meest indrukwekkende object is waarschijnlijk de ‘zonnewagen’ uit het Deense Trundholm (ca. 1.500 v.Chr). Dat is een bronzen beeldje van een paard en wagen waarop een aan één kant vergulde bronzen schijf staat, van ongeveer 25 cm doorsnee. Slechts 60 cm lang en gevonden in een veenmoeras is het een duidelijk ritueel object, geen kinderspeelgoed.

Lees ook: De meest gedetailleerde zonnefoto tot nu toe is gemaakt

Green is wetenschappelijk genoeg om een paar slagen om de arm te houden, „want zonder geschreven bronnen kunnen we alleen beredeneren dat de zon vereerd werd”. En het is ook moeilijk om een symbool van een simpel ornament te onderscheiden, aldus Green. „Wanneer verwijst een stralencirkel op een pot naar de zon als bovennatuurlijk wezen, en wanneer is het gewoon een aangenaam ontwerpje?” Maar alles bij elkaar genomen ziet Green een periode van 3.000 jaar zonneverering in Europa: vol „conflicten tussen goed en kwaad, licht en duisternis, leven en dood, zomer en winter”. De zonnegod werd volgens haar geassocieerd met wielen, paarden en slangen en is „opperheerser over leven en dood, over deze wereld en het hiernamaals”.

Hoe die zonneverering ooit ontstond is onduidelijk, maar de Deense archeoloog Kristian Kristiansen ziet in ieder geval in de bronstijd duidelijke invloed uit het Midden-Oosten, zo schrijft hij in The Rise of Bronze Age Society (2005). Door intensieve handel met Hettitische en Myceense zonnevereerders zou Zuid-Zweden in het tweede millennium v.Chr. zelfs een religieus centrum zijn geworden van waaruit de zonnesymboliek verspreid werd. Met „gedeelde rituelen van de Egeïsche Zee tot Engeland en Scandinavië”, aldus Kristiansen.

Over dit type redeneringen bestaat altijd veel discussie in de archeologie. Al was het maar omdat de zonne-oriëntatie van veel megalithische monumenten even goed een oriëntatie op de máán zou kunnen zijn, tenminste volgens de Portugese ‘archeo-astronoom’ C. Marciano Da Silva. En John North, tot 1999 hoogleraar geschiedenis van de wetenschap in Groningen, schreef in zijn Stonehenge. Neolithic man and the Cosmos (1996) dat veel ronde complexen, zoals Newgrange en Stonehenge, duidelijk op de zon gericht waren, maar dat de iets oudere ‘long barrow’-graven juist gericht waren op punten waar eenmaal per jaar een bepaalde heldere ster boven de horizon verscheen, zoals Aldebaran of de sterrengroep van de Pleiaden.

Iedere keer dat wij goedemorgen zeggen, plegen ook wij een zonnemythe

Max Müller oriëntalist

En is oriëntatie verering? Ook Miranda Green zelf merkt in haar boek uit 1991 al op dat christelijke kerken oost-west georiënteerd zijn, maar dat toch niemand in Jezus een zonnegod veronderstelt. Godsdienstigheid is erg moeilijk terug te projecteren, maar het is wel aantrekkelijk, schrijft de primatoloog William McGrew in het boek Homo symbolicus (2011), „zoals iedereen weet die wel eens een groep ringstaartmaki’s ademloos en met wijd opengespreide armen de ochtendzon heeft zien begroeten” – overigens een eenvoudig opwarmritueel.

Green en Kristiansen staan in in ieder geval in een rijke traditie van zonne-interpretaties. In de negentiende eeuw was de Duitse Oxford-geleerde Max Müller er waarschijnlijk de uitvinder van. Volgens hem was religie ‘een ziekte van de taal’. Want hij meende dat de oudste goden der mensheid, en speciaal die van de Indo-Europese ‘Ariërs’, zoals hij ze noemde, ontstaan waren uit algemene begrippen die in de loop der eeuwen gepersonificeerd werden en uitgewerkt in verhalen. Goden waren metaforen die serieus werden genomen, aldus Müller. De Indo-Europese ‘vadergod’, of die nu Zeus, Jupiter, Thor of (in het Sanskriet) Dyaus Pita heette, was een uitwerking van het oerconcept ‘dyaus’: stralend, schijnend. Overal in de oertijd zag Müller verering van de zon. „En dat is toch niet zo gek”, schreef hij in 1863, „want iedere keer dat wij goedemorgen zeggen, plegen ook wij een zonnemythe.” Om óveral zonneverering in te zien, ging wel heel ver. Al in 1870 werd deze opvatting op de hak genomen door een Britse dominee, R.F. Littledale, die in een boekje ‘overtuigend’ aantoonde dat Max Müller zélf een zonnegod moest zijn. Want betekende Müller niet molenaar, en was de zon niet de vermaler van wolken en vorst? Later werd ook het probleem opgeworpen dat het woord oerwoord ‘dyaus’ eigenlijk lamp betekende, in plaats van het stralen van de zon. Dat zou ook verklaren waarom het woord oorspronkelijk neutraal was, het typisch geslacht van een ding, niet van een persoon of een god. Maar daarmee verloor de zon wel zijn centrale plaats en werd hij gereduceerd tot een attribuut: ‘de lamp van…”. De Britse uitgever (en Olympisch schermer!) Richard Cohen die alle mogelijke zonneverering verzamelde in zijn boek Chasing the Sun (2010) is misschien nog de laatste levende aanhanger van Müller. „Hoewel bijna niemand Müllers werk nog kent”, schrijft hij, „blijft hij een belangrijke figuur voor ons begrip van zonnemythologie.”

David Fontijn is hoogleraar archeologie in Leiden en kenner van rituelen in de bronstijd. Over de zonneverering in die tijd kan hij kort zijn: „Er was in ieder geval geen zonnegód. Er is niets dat wijst op goden zoals we die kennen uit de Griekse en Romeinse tijd. Er waren geen goddelijke personen. Als al iets vereerd werd, dan waren het eerder krachten dan goden.”

 

Fontijn heeft in zijn laatste boek, Economies of destruction een heel hoofdstuk gewijd aan bestrijding van vrijwel alle vormen van religieuze continuïteit, met als motto The Bronze Age Gods Delusion (de waan van bronstijdgoden). „Bijlen die in de bronstijd werden gedeponeerd in moerassen en rivieren, worden soms gezien als voorlopers van de bijl van een Indo-Europese dondergod die wij bij de Germanen kennen als Thor. Maar die moerasbijlen zijn al van ver voor de komst van de Indo-Europese groepen in Europa.” En dus al helemaal geen permanente zonverering: „In de ijzertijd gebeurt er vrijwel niks met de zon, dat is juist heel opvallend!”

Ja, net als Kristiansen en Green ziet ook Fontijn in de bronstijd wel „iets met de zon”, maar niet algemeen en al helemaal niet als onderdeel van een grote traditie. „Die zonnewagen van Trundholm en de zonnehoeden zijn een duidelijke aanwijzing voor een culturele rol voor de zon. Maar welke rol? Er zijn geen tempels, geen godenbeelden.” Voor Fontijn is cruciaal dat de zonnewagen en -hoeden geëindigd zijn in het landschap, na gebruik. „Die hoeden zijn gedragen, die wagen is rondgereden. Het was geen verering, ze hadden een rol in de uitbeelding van een verhaal. Een soort poppenkast, zo je wilt.”

Fontijn denkt dat het veel meer te maken zal hebben gehad met geesten van voorouders die in het landschap verblijven. „Dáárom eindigden in de bronstijd al die voorwerpen in moerassen en rivieren. Zoals Tacitus later schrijft over de Germanen die beweren dat de Rijn hun voorouder is. Misschien is dát nog wel een stukje diepe continuïteit. De zon is één element, soms belangrijk, maar vaak ook niet.”

De Romantici dachten dat primitieve volkeren de natuur ook wel prachtig zouden vinden

Jan Bremmer religiewetenschapper

„De zon was belangrijk in een aantal oude godsdiensten”, zegt ook godsdienstwetenschapper Jan Bremmer (Rijksuniversiteit Groningen). „Maar de kernvraag is: wat betékent godsdienst dan? Als ik jou nu vraag: ‘heb jij een geloof?’, snap je onmiddellijk wat ik bedoel. Maar een Oude Griek kon je zoiets echt niet vragen, laat staan in de prehistorie. Iedereen liep mee met de bestaande godsdienstige gewoonten, maar een gelóóf met het hele hart, zoals wij dat denken te kennen, was er niet. Zo’n individueel geloof, met een persoonlijke band met een god, is een van de grote omslagen die het christendom veroorzaakt heeft. Daarvoor bestond dat nauwelijks. Al die clichés van primitieve godsdiensten, met zo’n gekke Mayapriester die trillend van emotie een offer brengt, bestaan alleen in B-films. Zoals de Griekse filosoof Aristoteles schreef: ‘Wie zegt dat hij van Zeus houdt is niet goed bij zijn hoofd.’”

En in de tijd voor de klassieke oudheid? Om interpretaties van prehistorische godsdienst te begrijpen kan je beter naar de wetenschappers zelf kijken, schampert Bremmer. En hij geeft een kort college godsdienstwetenschap. „Het begon in de Romantiek van de negentiende eeuw. Toen draaide alles om natuurbeleving, dus dat zullen die primitieve volkeren ook wel prachtig hebben gevonden dachten de geleerden. Daarna, in de twintigste eeuw, wordt gedacht in abstracte structuren. Symbolen worden vooral geïnterpreteerd in termen van tegenstellingen: oorlog en vrede, donker en licht, man en vrouw. En de laatste twintigste jaar is er weer een terugkeer naar een soort gevoelde godsdienst. Alsof dat geloven van het hart van onze ouders en grootouders altijd de standaard is geweest! Wij leven nu in een seculiere cultuur, met voor de meeste mensen geen geloof van het hart, maar óók geen geloof in de praktijk. Dan wordt het moeilijk inleven in een andere mentaliteit.”