Reportage

Waar komt dat gif toch vandaan?

Mosselen en oesters Onlangs werd in weekdieren te hoge waarden tetrodotoxine – een natuurlijk gif – aangetroffen. Alleen grote doses zijn schadelijk.

De start van het hangcultuur mosselseizoen (26 mei 2020).
De start van het hangcultuur mosselseizoen (26 mei 2020). Foto Evert van Moort / HH

Weinig schelpdieren worden zo minutieus bestudeerd als de mossel. Dat is hard nodig, vertelt Marnix Poelman aan de rand van de oever van de Oosterschelde, naast de kantoren en laboratoria van Wageningen Marine Research. „De belangen zijn groot.”

De onderzoeker kijkt uit over het oostelijk deel van de Oosterschelde, dat enkele weken geleden, tegelijk met de Grevelingen, werd gesloten door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor het oogsten van mosselen en oesters. Reden: te veel tetrodotoxine (TTX), een natuurlijke gifstof die sinds 2016 jaarlijks wordt aangetroffen in de ‘tweekleppige weekdieren’, meestal eind juni en begin juli, gedurende enkele weken.

Woensdag begint het Nederlandse mosselseizoen. Dan worden de eerste bodemmosselen in Yerseke aan land gebracht. „Een moment waar Vlamingen, Walen en steeds meer Nederlanders reikhalzend naar uitkijken”, juicht brancheorganisatie het Nederlands Mosselbureau in een persbericht. De liefhebber hoeft niet te lijden onder de tijdelijke sluiting van de twee gebieden. „Elders liggen genoeg mosselen”, stelt een woordvoerder. „We zijn op deze sluiting heel goed voorbereid. We hebben onze protocollen erop aangepast.” Inmiddels gaan ook de tijdelijk gesloten gebieden langzamerhand weer open.

Algen en plankton

Oesters en mosselen krijgen tetrodotoxine binnen via hun voeding, constateren Poelman en zijn collega’s in Yerseke. „Het zit vooral in hun spijsverteringskanaal en omliggende organen.” De schelpdieren voeden zich met kleine organismen, zoals algen en plankton. Die lijken de stof aan te maken. „Maar waarom en wanneer ze dat doen, weten we nog niet precies. Die puzzel zijn we aan het maken.”

Onlangs werd in oesters 168 microgram tetrodotoxine per kilo schelpdiervlees aangetroffen. De Europese norm is maximaal 44 microgram. Alleszins veilig, zegt Poelman: „Normen zijn er om maximaal te beschermen. We zeggen weleens: bij deze norm moet een gezonde man vijftig kilo schelpdiervlees naar binnen werken om er ziek van te worden.”

Dat neemt niet weg dat risicogroepen zoals mensen met hart- en longklachten en kankerpatiënten eerder last kunnen krijgen van de verschijnselen: ademhalingsstoornissen en spierverslapping, tintelingen, overgeven.

Het merendeel van de Nederlandse bodemmosselen wordt gekweekt in de Waddenzee en verhandeld in Yerseke. In de gesloten Grevelingen worden vooral oesters en hangcultuurmosselen gekweekt; in het oostelijke deel van de Oosterschelde worden rijpe mosselen op de harde veenbodem (‘natte pakhuizen’) gelegd tot het zand er op natuurlijke manier uit is gespoeld. Dat laatste kan nu niet. „De mosselhandelaren hebben nu dus relatief weinig voorraden op die gronden”, zegt Poelman. Het alternatief is mosselen langer op de kweekpercelen te laten. Maar daar wordt de kwaliteit niet beter van. Ook kunnen de bedrijven het zand er zelf op de wal uit spoelen. „Maar dat is vaak wel duurder.”

Intussen speuren Poelman en zijn onderzoekers naar oorzaken en therapieën voor het natuurlijke gif in de schelpdieren. Bekend is dat tetrodotoxine enkele weken per jaar ontstaat in water dat niet veel stroomt, op relatief ondiepe plaatsen, met relatief hoge watertemperaturen en in water dat verschillende lagen van temperatuur heeft. Met vervuiling van water lijkt de aanwezigheid van het gif niets te maken te hebben. Een mossel krijgt het gif binnen en spuugt het na enkele weken vanzelf weer uit. „Maar dat duurt te lang voor de mosselhandel”, zegt Poelman. In die weken daalt de kwaliteit van de rijpe mosselen in de „natte pakhuizen”.

Elk jaar opnieuw een strop

De sluiting van de oogstpercelen is elk jaar opnieuw een strop voor de kwekers en handelaren. Vandaar de zoektocht naar methoden om het gif er sneller uit te krijgen. „We komen op dit moment nog niet verder dan drie dagen tot een week”, zegt Poelman. Dat zou één tot twee dagen moeten worden, „om economisch rendabel te zijn”. Wel kunnen de onderzoekers de mosselsector al vroeg waarschuwen voor het risico op tetrodotoxine. Hiertoe wordt het water in de Oosterschelde permanent gecontroleerd op temperatuur, troebelheid, zuurstofgehalte, zwevende stoffen en vijf verschillende soorten algengroepen. „Zonder gifstoffen te meten, kunnen we dan zien dat er weer iets aan zit te komen.” Ook beschikt het laboratorium sinds kort over een instrumentje, ontwikkeld in Wageningen, zo groot als een reep chocolade, dat uit enkele druppels water binnen vier uur het dna van organismen uit kan lezen.

Volgend jaar hopen de onderzoekers de mosselkwekers bovendien te kunnen voorzien van een snelle, goedkope test waarmee ze op schepen of aan de wal het gif op de schelpdieren binnen twintig minuten kunnen traceren. Of de mosselkwekers blij zijn met dit onderzoek? Zeker, zegt Poelman: „Zonder onderzoek hadden ze met de handen in het haar gezeten. Zonder de wetenschappelijke samenwerking hadden ze de kwaliteit van de mossel niet zo goed kunnen borgen.”