Recensie

Recensie Boeken

Hoe de ‘hogepriester van de economie’ het neoliberalisme in Nederland introduceerde

BV Nederland Voor de coronacrisis was Nederland rijker dan ooit. Maar het aandeel van bedrijfswinsten in het nationaal inkomen stijgt al decennialang ten koste van dat van het arbeidsinkomen.

We zijn nog nooit zo rijk geweest als nu, schrijft Peter Hein van Mulligen stellig in Met ons gaat het goed. 8 sombere mythes over Nederland ontrafeld. ‘Economisch zijn we er de afgelopen decennia alleen maar op vooruit gegaan’, beweert de hoofdeconoom van het Centraal Bureau voor Statistiek aan het eind van zijn weerlegging van de stelling dat de Nederlanders het sinds de jaren zeventig nauwelijks beter hebben gekregen. Niet alleen is het inkomen per hoofd van de bevolking hoger, maar ook zijn bijvoorbeeld auto’s, tv’s en huishoudelijke apparaten veel beter én goedkoper geworden. En terwijl er in het dorp waar Van Mulligen opgroeide slechts één Chinees-Indisch restaurant was, waar de dorpsbewoners hun voedsel voornamelijk afhaalden, is uit eten gaan voor veel Nederlanders nu gewoon. Bovendien is de smartphone, het wonderapparaat waarmee gratis gefacebookt en gegoogled kan worden, wijdverbreid geraakt, schrijft hij in Met ons gaat het goed, waarin hij verder onder meer de mislukking van de multiculturele samenleving en de almaar stijgende criminaliteit tot mythes verklaart.

Toch overtuigt Mulligens conclusie over de ongekende rijkdom van de gemiddelde Nederlander niet helemaal. Want eerder in zijn ontrafeling van de mythe van de stagnerende inkomens beweert hij niet alleen dat het inkomen per hoofd van de bevolking in Nederland sinds 2000 nauwelijks is gestegen, maar ook ver achter is gebleven bij de groei van het bruto binnenlands product (bbp). Ook haalt hij een onderzoek aan van economen van de Rabobank uit 2018 dat stelt dat het besteedbaar inkomen van huishoudens zelfs bijna veertig jaar lang nauwelijks is gegroeid. Maar hiervoor heeft hij een verklaring. De economen van de Rabobank hanteren iets andere ‘statistische definities (een irritant maar helaas onoverkomelijk deel van mijn vak)’, moppert hij. Maar het belangrijkste verschil is dat ‘de Rabobank naar het inkomen per huishouden in plaats van per inwoner kijkt’. En aangezien het aantal eenpersoonshuishoudens sinds 1980 flink is gestegen, is het gemiddelde inkomen van huishoudens gedaald, aldus Van Mulligen.

Voor de onderzoeksjournalisten Sander Heijne en Hendrik Noten was het rapport van de Rabo-economen het beginpunt van Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor minder. Toen ze het onderzoek twee jaar geleden doornamen, besloten ze, hoewel geen economen, gevolg te geven aan de oproep van de Rabo-economen om meer onderzoek te doen naar de oorzaken van de ‘fantoomgroei’, zoals ze de groei van het bbp noemen waar loontrekkers nauwelijks van profiteren. Het antwoord op de vraag waarom het aandeel van bedrijfswinsten in het nationaal inkomen sinds de jaren tachtig is gestegen ten koste van dat van het arbeidsinkomen, blijkt vooral een kwestie van ideologie.

Ultraliberaal

Hun onderzoek voert Heijne en Noten naar Zwitserland, waar in 1947 in een hotel op een berg bij het Meer van Genève de Mont Pèlerin Society (MPS) werd opgericht. Voorzitter van het genootschap ultraliberale denkers en economen werd de Oostenrijkse politiek econoom Frie-drich Hayek, die in 1943 het antisocialistische tractaat The Road to Serfdom had gepubliceerd. In deze bijbel van het neoliberalisme zet Hayek, de ‘favoriete filosoof’ van premier Rutte, uiteen dat de rol van de overheid in de economie beperkt moet blijven tot de facilitering van de vrije markt. Bemoeit de staat zich meer met de economie, dan liggen verlies van vrijheid en repressie onvermijdelijk in het verschiet.

Aanvankelijk vond het gedachtegoed van de MPS weinig weerklank in de westerse wereld, waar veel staten druk bezig waren met de opbouw van de verzorgingsstaat als alternatief voor het verleidelijke communisme. Maar in de loop van de jaren werd de ‘ideeënstrijd’ van Hayek en de zijnen steeds succesrijker, zo laten Heijne en Noten zien in ‘De stille revolutie’, het tweede deel van Fantoomgroei. Centrum van de verbreiding van het neoliberale geloof in de immer heilzame werking van de vrije markt werd de Universiteit van Chicago, waar Milton Friedman, winnaar van de Nobelprijs voor economie in 1976, de economische faculteit bestierde. Friedman groeide uit tot een wereldwijd invloedrijke econoom, en werd de adviseur van politici als de Chileense dictator Pinochet. Ook Margaret Thatcher, die in 1979 Brits premier werd, en Ronald Reagan, in 1980 verkozen tot Amerikaans president, lieten zich influisteren door Friedman en zijn ‘Chicago boys’ die het maken van winst als de enige sociale verantwoordelijkheid van bedrijven beschouwden.

De Rutten boys

Bij de verbreiding van het neoliberalisme in Nederland wijzen Heijne en Noten de ‘hogepriester van de economie’ Frans Rutten aan als sleutelfiguur. In 1973 verliet Rutten de Erasmus Universiteit in Rotterdam om secretaris-generaal van Economische Zaken te worden, waarvan de jonge Ruud Lubbers in hetzelfde jaar minister werd als lid van het linkse kabinet-Den Uyl. Op Lubbers’ departement creëerde Rutten een hofhouding van gelijkgestemde hoge ambtenaren, onder wie de latere VVD-minister van Financiën Gerrit Zalm.

Lees ook: Ook het gepensioneerde midden is klaar met het kapitalisme

Het finest hour van de ‘Rutten boys’ kwam in 1982 met het regeerakkoord van het eerste kabinet-Lubbers, met VVD en CDA als coalitiepartners. Het harde bezuinigingsbeleid van zijn kabinet, dat gepaard ging met de verlaging van het minimumloon en ambtenarensalarissen en de flexibilisering van arbeid, rechtvaardigde premier Ruud ‘no nonsense’ Lubbers met de bewering dat de inkrimping van de verzorgingsstaat de enige mogelijkheid was om Nederland uit het economische slop te trekken. ‘There is no alternative’, zei hij Margaret Thatcher na.

Sinds 1982 is het overheidsbeleid vrijwel onveranderd gebleven. Na de val van de Muur in 1989 bekeerde zelfs de PvdA zich onder leiding van de oud-FNV-leider Wim Kok tot het geloof in de vrije markt en stemde in met de privatisering en verzelfstandiging van de spoorwegen, energiebedrijven, woningbouwverenigingen en tientallen andere (semi-)overheidsbedrijven en -instellingen. Die liepen vaak uit op mislukkingen, zo liet Sander Heijne twee jaar geleden al zien in Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u. Dertig jaar marktwerking in Nederland. Zo leidde de introductie van meer marktwerking in de gezondheidszorg tot een kolossale bureaucratie, iets dat juist altijd wordt geassocieerd met overheidsdiensten. In Fantoomgroei voegen Heijne en Noten hier nieuwe mislukkingen aan toe, waaronder de liberalisering van de woningmarkt, die is uitgemond in een nieuwe woningnood.

Het neoliberale economische beleid ging gepaard met een obsessie voor de groei van het bbp. Als het bbp maar flink groeit, gaat het goed met de BV Nederland, werd het idee van veel politici en beleidsmakers. Maar inmiddels is wel duidelijk dat het streven naar maximale groei van het bbp geen oplossing is voor de grote kwesties van deze tijd, zoals klimaatverandering, energietransitie en duurzame productie, stellen Heijne en Noten vast. Het is dan ook de hoogste tijd voor een ‘nieuw verhaal voor onze economie’.

Lees ook het interview met Floor Milikowski: ‘De mensen die je op een terrasje ziet zijn de welvarende bewoners’

In Een klein land met verre uithoeken. Ongelijke kansen in een veranderend land laat de sociaal-geograaf Floor Milikowski in soms wat bleke, tamme reportages lezen dat ook niet alle steden en regio’s in Nederland nu ‘rijker zijn dan ooit’. Nederland blijkt vooral economisch te bloeien in de Randstad en in BrabantStad, de ring van vijf Brabantse steden waarvan Eindhoven de ambitie heeft om het Nederlandse Silicon Valley te worden. Maar buiten de groeiende regio’s kent Nederland tal van kwijnende krimpgebieden en -steden, zoals Delfzijl en Emmen.

Concurrentiekracht

De langdurige en vaak vergeefse worstelingen van de krimpsteden om er bovenop te komen na de teloorgang van mijnbouw en oude industrieën omstreeks 1970 is grotendeels een gevolg van de radicale verandering van het industriebeleid. Het was, alweer, het eerste kabinet-Lubbers dat brak met de gewoonte om sukkelende scheepswerven en fabrieken te redden met staatssteun. Onder Lubbers werd het uitgangspunt voor het industriebeleid: ‘Don’t back the losers, but pick the winners’. ‘Door de globalisering van de economie en de opkomst van het neoliberale denken, is het beleid niet langer gericht op het eerlijk delen van banen en welvaart binnen Nederland, maar op het versterken van de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse economie’, stelt Milikowski vast.

Milikowski, die in 2018 de bestseller Van wie is de stad. De strijd om Amsterdam publiceerde, eindigt haar rondgang langs kwijnend en bloeiend Nederland op Schiphol. Hier is goed te zien dat het beleid dat louter is gericht op groei spaak is gelopen: Schiphol en de luchtvaart lopen aan tegen de grenzen van de groei. Net als Heijne en Noten stelt Milikowski ten slotte vast dat er, in de woorden van een deskundoloog, ‘een nieuw verhaal nodig is waarbij iedereen weer perspectief krijgt’.

In het laatste deel van Fantoomgroei schetsen Heijne en Noten het begin van zo’n nieuw verhaal voor de economie. Zo pleiten ze voor een andere berekening van het bbp waarin het niet alleen gaat om de kwantiteit van de nationale productie maar ook om de kwaliteit van het leven. En ze wijzen op de opkomst van nieuwe coöperaties in Italië, Denemarken en de Verenigde Staten, die anders werken dan ondernemingen die zijn gericht op de maximalisering van winst. Maar verder dan wat vage contouren van het hoognodige ‘nieuwe verhaal’ komen ze niet. Een simpel en aantrekkelijk alternatief voor de utopie van het neoliberalisme is nog ver weg.