Opinie

Tweede Kamer moet in actie komen tegen moskeefinanciering

Parlementair onderzoek

Commentaar

Schijnvertoning. Poppenkast. Deze woorden van imam Suhayb Salam van de Utrechtse alFitrah moskee zijn onlosmakelijk verbonden met het onderzoek van een Tweede Kamercommissie naar ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen. Salam sprak ze in februari uit aan het slot van zijn verhoor door de parlementaire ondervragingscommissie. Het was de apotheose van een bizar schouwspel waarin de parallelle en ondoordringbare leefwereld van een streng islamitische gelovige verbaal hardhandig in botsing kwam met het andere deel van Nederland waar hij eigenlijk niets mee te maken wilde hebben.

De confrontatie deed het vanzelfsprekend goed op televisie en de beelden zijn dan ook eindeloos herhaald. Maar tegelijk gaf het een intriest beeld van hoe religieus fanatisme zich kan manifesteren. Het zijn maar eenlingen, was heel lang de bezwerende formule. Dat kan zo zijn, maar wel met invloed. Invloed die zij kunnen uitoefenen vaak met onzichtbare (financiële) steun uit het buitenland. Dan is er sprake van een probleem.

In haar vorige week gepresenteerde eindrapport signaleert de onderzoekscommissie dat er nog altijd weinig zicht is op hoe sommige religieuze organisaties vanuit het buitenland worden gefinancierd en welke tegenprestaties hiervoor worden verlangd. Het ontbreekt aan transparantie over de afkomst van het geld, het ontbreekt aan transparantie over het doel van de financiering en het ontbreekt bij de ontvangers aan financiële verantwoording, aldus het rapport.

Toegegeven, echt verrassend kunnen de conclusies van de commissie nauwelijks worden genoemd. Verhalen over uitwassen zijn regelmatig in de pers verschenen en ook in de politiek is al regelmatig gesproken over ongewenste beïnvloeding door religieuze organisaties uit het buitenland. Maar het bleef in het politieke debat meestal bij ‘veronderstelde’ dan wel ‘mogelijke’ bemoeienis. De waarde van het rapport van de politiek breed samengestelde ondervragingscommissie is dat nu een en ander gedocumenteerd is en ook nog eens gebaseerd op getuigenverhoren onder ede. Dat geeft duidelijk meer betekenis.

De commissie is wel bekritiseerd omdat zij zou hebben nagelaten concrete aanbevelingen te doen. Voor het lid Edgar Mulder (PVV) was dit zelfs reden de commissie voortijdig te verlaten. Maar het is nooit de taak geweest van deze onderzoekscommissie om ook zelf oplossingen aan te dragen. In de opdracht die voortkwam uit een motie van de Tweede Kamerleden Kees van der Staaij (SGP) en Sadet Karabulut (SP) – op zich al een bijzondere combinatie – stond dat de zaak in beeld moest worden gebracht.

Het is nu aan de Tweede Kamer de zorgen die uit het rapport naar voren komen politiek te vertalen in concrete maatregelen. Dat zal niet eenvoudig zijn, aangezien al snel grondrechten zoals vrijheid van godsdienst en vrijheid van vergadering in het geding zijn. Toch bestaan er wel degelijk mogelijkheden om ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen tegen te gaan. Dat begint bij een nog strenger toezicht op de financieringsstromen. Ook moet de wet tot het uiterste worden aangewend om enigerlei toezicht te kunnen hebben op moskeeonderwijs.

De Tweede Kamer zal snel serieus aan de slag moeten met de bevindingen van de commissie. Want ja, er is het nodige mis en ja, het zal niet lang niet altijd makkelijk zijn excessen aan te pakken. Maar als het rapport iets aantoont is het dat de tijd van naïviteit nu toch echt voorbij is.