Opinie

Na maanden applaus is de zorg toch weer terug bij af

Emma Bruns

De afwezigheid van daglicht doet iets met het gemoed. Dwalend door de verlaten gangen van een duister ziekenhuis. De zusterposten als eilanden van gekeuvel en gezelligheid. De spoedeisende hulp waar een paar lallende jongeren hun vriend bijstaan die niet gehecht wil worden. De vaart waarmee een puffende vrouw, een vermoeide gynaecoloog en een verwarde vader met babybedje en al richting de operatiekamer snellen om nieuw leven te verwelkomen. Nachtdienst. Voor wie het werkende leven al jaren bestaat uit een maandag-tot-vrijdag- negen-tot-vijf-nu-ook-af-en-toe-een-dagje-thuiswerken-bestaan, kan ik het bijna aanraden.

Terwijl de mensen op het terras tegenover mijn huis langzaam dronken worden en de bootjes weer bijna als vanouds door de grachten glijden, trek ik de deur achter me dicht. Het voelt onnatuurlijk om op zaterdagavond naar je werk te rijden. Het omgekeerde ritme versterkt je zintuigen. Met de verdwalende noten van Michiel Borstlap op de piano, verdwijn ik in een soort niemandsland. Het lege asfalt, de nazinderende warmte van deze zomerdag, de schemer waarmee ook de voorspelbaarheid van de dingen die overdag gebeuren, lijkt te verdwijnen.

Bij binnenkomst in het ziekenhuis knik ik naar de portier. We kennen elkaar nauwelijks maar ik bel hem vaker dan mijn beste vriend. Bij een gebarsten lichaamsslagader, een steekpartij of een groot auto-ongeluk, vormt hij de cruciale schakel tussen mij en de dienstdoende chirurg. Ik kleed me om en zie in het computersysteem dat mijn collega net klaar is met opereren. Aan de hand van een powerpointpresentatie die we elke dag handmatig maken, draagt ze aan mij over welke patiënten er die avond nog zijn opgenomen en wie er zijn geopereerd. Ze overhandigt me het traumasein, een pieper die afgaat als er een patiënt in kritieke toestand op de spoedeisende hulp wordt binnengebracht, en onze diensttelefoon, een kleine ogenschijnlijk onschuldig ogende Nokia. Ze wenst me een rustige nacht en loopt de trap af.

Rond een uur of twaalf maak ik een rondje langs de afdelingen. De verpleegkundigen zijn pillen aan het delen. Ik ben eigenlijk altijd wel blij om ze te zien maar weet nooit precies wat ik moet zeggen.

„Hadden jullie nog vragen?”

Mijn woorden worden overstemd door een combinatie van gegrom en warrige taal uit een van de kamers. De verpleegkundige kijkt me moedeloos aan. „Nou ja, precies dus, mevrouw T. Kophalsprothese van gisteren, was al beginnend dement maar er is nu echt geen land meer mee te bezeilen. Ze probeert uit bed te klimmen, wil de beukenhaag snoeien en roept de hele tijd om een gieter.”

Een delier is een plotseling optredende ernstige verwardheid. Het bewustzijn van de patiënt is wisselend helder. Vooral ’s nachts is iemand erg gedesoriënteerd wat tijd, plaats en persoon betreft. Er is geen beter ziektebeeld dat een totale samenvatting is van het fenomeen nachtdienst. Het is een acceptatie van de noodzaak om beslissingen te nemen met een beperkte hoeveelheid kennis. Eigenlijk vergelijkbaar met de toestand waarin ons land de afgelopen maanden verkeerde. „We moeten met 50 procent van de kennis 100 procent van de beslissingen nemen”, zei Rutte tijdens een van de eerste persconferenties van de coronacrisis.

Vaak is een infectie van de longen of de urinewegen de onderliggende oorzaak van een delier. Ik heb mevrouw T. van top tot teen nagekeken maar geen duidelijk infectieus probleem kunnen vinden.

‘Geef maar 1 milligram Haldol.”

Het is een middel dat aangrijpt op de dopaminereceptoren en daarmee de hallucinaties dempt. Het is symptoombestrijding. Geen langetermijnoplossing. Je komt er de nacht mee door maar de volgende dag zullen je collega’s er toch iets mee moeten.

Afgelopen week gaf het kabinet-Rutte ons – nou ja, ongeveer iedereen in de zorg, behalve de mensen die ooit bedacht hebben voor het grote geld te gaan en arts te worden – 1.000 euro bonus. In diezelfde week werd de motie om een structurele loonsverhoging in de zorg te bewerkstelligen, verworpen. Na maanden applaus, lovende woorden en ander gejuich, lijken we toch weer terug bij af.

Ik heb de komende dagen nog vooral de duisternis om me heen, maar ik hoop dat onze volksvertegenwoordigers meer doen dan symptoombestrijding. Want juist in tijden van verwarring kan een beetje daadkracht vanuit visie, erg heilzaam zijn. Misschien moet ik de portier even bellen om me door te verbinden met het Catshuis.

Emma Bruns is arts-onderzoeker en chirurg in opleiding.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.