Opinie

Van mezelf al

Ellen Deckwitz

Donderdag werd mijn jongste neef twaalf en als verjaardagscadeau wilde hij water en zo sprongen we die avond met zijn allen het kanaal in. „En nu een kampvuur!”, riep de jarige na een uur duiken, „en verhalen!” „Wat wil je horen?”, vroeg ik.

„Over mijn geboorte!”

En dus begon mijn zus herinneringen op te halen aan een van de vervelendere dagen uit haar bestaan. Van de weeënstorm, de ambulance, de totaalruptuur. Ik vulde haar vertelling aan met het feit dat ze al die tijd gilde dat dit haar laatste kind zou zijn (iets wat ze een baby eerder ook al door de verloskamer had gebruld). Het was in al zijn ellende onvergetelijk. Hoe ze schreeuwde om een ruggenprik en de verplegers om oordoppen. Hoe ik een paar uur later met een dampend neefje in de armen stond terwijl een heel medisch team met behulp van infusen, morfine en hechtingen mijn zus weer in elkaar probeerde te zetten.

„Wat een ***-bevalling”, siste ze tegen haar gloednieuwe zoon, „nu ben je het wel aan me verplicht om een succeskind te worden. Minstens een model voor Anne Geddes, én jeugdselectie Nederlands elftal, én op je twaalfde naar Harvard, én Idols winnen.”

„Nou, dat is allemaal niet gelukt”, straalde mijn neef en stoof terug naar het water.

„Wat een topper”, zei mijn zus, en ik knikte. Het was geeneens genetische partijdigheid. Mijn neef was uitzonderlijk geslaagd, niet zozeer in atletische of academische zin als wel qua humeur. Die gast is altijd goedgeluimd. Oké, tijdens de peuterpuberteit probeerde hij wel even de spanwijdte van ‘nee’ uit, maar na een halve dag was hij daar alweer op uitgekeken. En zo is hij al twaalf jaar lang het schoolvoorbeeld van een makkelijk kind, altijd optimistisch en zachtmoedig.

Na een tijdje keerde hij uit het donker terug. „Ik heb nog even wat kikkers geholpen met oversteken”, zei hij.

„Wat ben je toch een heerlijk joch”, zei mijn zus terwijl ze een handdoek om hem heen sloeg.

„Ja, je had zoveel erger kunnen zijn”, zei mijn broer, „want je weet met een kind natuurlijk nooit wat je krijgt, het is altijd toch een beetje Russische roulette met dna.”

„Waren jullie ook blij met mij geweest als ik minder leuk was?”, vroeg de neef.

„Natuurlijk”, zei mijn zus, „maar dan kwam het niet door je persoonlijkheid maar gewoon door hormonen. Die ouders van Joran van der Sloot zullen ook wel van hem hebben gehouden, dat is oxytocine, werkt als een tierelier, kan je niets tegen doen.”

„Gelukkig dan maar dat ik van mezelf al geweldig ben”, zei hij.

We knikten blij terwijl hij grijnsde en de warme duisternis ons steeds verder insloot.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.