Na de koers zelf je fiets ontsmetten

Wielrennen De grote wedstrijden zijn pas vanaf augustus. Veel profs rijden zondag al mee in een Vlaamse koers. Hoe blijven ze vrij van het virus?

Nederlands kampioen Fabio Jakobsen, hier in juni bij een trainingsrit in de Vlaamse Ardennen, rijdt zondag mee in de Grote Prijs Vermarc Sport in Rotselaar.
Nederlands kampioen Fabio Jakobsen, hier in juni bij een trainingsrit in de Vlaamse Ardennen, rijdt zondag mee in de Grote Prijs Vermarc Sport in Rotselaar. Foto David Stockman/AFP

Om heel eerlijk te zijn voelt Fabio Jakobsen (23) uit Heukelum zich een beetje een proefkonijn. Komende zondag staat hij samen met 175 collega-renners aan de start van een kermiskoers in het Vlaamse Rotselaar, de eerste wielerwedstrijd op Europese bodem post-corona. En hoewel hij niet kan wachten om weer te racen, maakt hij zich ook zorgen. „Ik wil heel graag, maar het zou te vroeg kunnen zijn. Ik hoop dat het geen ernstige consequenties heeft.”

De doorstart van het wielerseizoen op het hoogste niveau, de WorldTour, stond eigenlijk pas gepland voor 1 augustus, met de voorjaarsklassieker Strade Bianche in Toscane. Maar door herwonnen optimisme zijn verschillende kleinere wedstrijden naar voren gehaald of na uitstel terug op de kalender gezet, waaronder enkele nationale kampioenschappen en vanaf 28 juli de vijfdaagse Ronde van Burgos. Tot die tijd wordt er door de internationale wielerfederatie UCI koortsachtig gewerkt aan een protocol om het seizoen af te kunnen maken zonder dat het coronavirus wordt verspreid.

Maar de organisatoren van de Grote Prijs Vermarc Sport konden zo lang niet wachten. Ze vonden de lokale autoriteiten van Rotselaar al een maand eerder bereid mee te werken aan een koers van tien ronden over een lokaal circuit van vijftien kilometer, met steeds twee korte klimmetjes. Het virus lijkt in wielergek Vlaanderen al een tijdje onder controle. „Wielrennen zit in ons bloed”, staat er op de website van de organisatie. Jakobsen: „Ik had nog nooit van Rotselaar gehoord.”

Lees ook: Dylan van Baarle is klaar voor koersen na maanden op zijn balkon

Een kermiskoers is meestal voorbehouden aan de mindere goden van het peloton, premiejagers, verdienstelijke amateurs, en hier en daar een verdwaalde prof die op zoek is naar een stevige trainingsprikkel. Maar dit jaar meldden zich vierhonderd renners aan, onder hen bijna honderd profs. Ze willen zich in Rotselaar in vorm trappen, na vier maanden droog te hebben gestaan. De organisatie kon dat aantal helemaal niet aan. De helft moest worden teleurgesteld.

Gids met coronaregels

Omdat het niet gaat om een officiële UCI-wedstrijd, gelden de tijdelijke voorschriften van de Belgische wielerfederatie. Die weert publiek bij de start en finish, vraagt mensen die komen kijken bij de bevoorradingszone een mondkapje te dragen en anderhalve meter afstand te houden van anderen. In een gids met coronaregels worden deelnemende renners erop geattendeerd hun gezicht niet aan te raken, en thuis te blijven als ze zich ziek voelen. Ze mogen geen kus, knuffel, hand, schouderklopje of high five accepteren en na afloop moeten ze hun fiets zelf ontsmetten. Bovendien moeten ze anderhalve meter afstand houden van ‘iedere persoon’ buiten hun huishouden. Ondoenlijk, zegt Jakobsen. „Moet ik dan ook steeds mijn handen wassen als ik een bidon aanpak?”

Wielrennen is een sport die zich niet makkelijk laat beveiligen. Anders dan bij voetbal zijn renners aanraakbaar, ze staan tussen het volk, in de openbare ruimte. Tijdens de wedstrijd rijden ze schouder aan schouder, er wordt gerocheld, de neus wordt geleegd, er vliegen zweetdruppels in het rond. Een virus is zo doorgegeven. „En dan moet ik na de wedstrijd met een mondkapje het podium op en zelf mijn prijs pakken? Dat is natuurlijk volstrekt belachelijk”, zegt Jakobsen. „Maar we moeten ons zoveel mogelijk proberen aan de regels te houden. Zondag is een soort toets voor de rest van de sportwereld, een examen. Het is ook een gok. Ik voel wel de angst dat er fouten gemaakt worden. Dat er iemand is die het virus verspreidt, dat er een kleine brandhaard ontstaat. En daar dan de gevolgen van.”

Er wordt gerocheld, de neus wordt geleegd. Een virus is zo doorgegeven

Op 15 juni publiceerde de UCI een document met richtlijnen om bij de herstart van het wielerseizoen de risico’s op verspreiding van het virus te beperken, opgesteld door een werkgroep van elf sportartsen. Het is een ‘living document’, dat voortdurend moet worden herzien en aangepast aan de regels van de autoriteiten waar een wedstrijd wordt georganiseerd. De lokale normen zijn leidraad. „Deze maatregelen kunnen niet voorkomen dat de dreiging volledig wordt geëlimineerd”, staat er te lezen. Dat kan alleen een vaccin.

De bedoeling is dat er vanaf 1 augustus zogenaamde ‘teambubbels’ worden ontwikkeld, waarbij elke wielerploeg zich tijdens een etappekoers in een apart hotel kan terugtrekken. Er moet altijd één kamer leeg blijven, zodat een renner die ziek wordt in isolatie kan. Eetzalen moeten ook volledig van de buitenwereld kunnen worden afgeschermd. Renners krijgen alleen toegang tot de teambubbel als ze drie dagen voor de start een negatieve coronatest hebben ondergaan. Dagelijks zullen ze een vragenlijst moeten invullen waarmee duidelijk wordt of ze ziekteverschijnselen vertonen. Als daaruit geen gevaar blijkt, mogen ze zich bij de ‘pelotonbubbel’ voegen. Elke organisatie moet een ‘Covid-coördinator’ aanwijzen – een expert op het gebied van infectieziekten – en er is een ‘Covid-dokter’, die in contact staat met plaatselijke ziekenhuizen.

Nog veel vragen

Het document zoals het er nu ligt roept vooral vragen op. Wat gebeurt er bij een positieve test? Moet een renner de wedstrijd dan meteen verlaten, de hele ploeg zelfs, of wordt de wedstrijd gestaakt, zoals in februari in de Verenigde Arabische Emiraten gebeurde. En: wie gaat er opdraaien voor de hoge testkosten, hoe gaat een rondtrekkend circus in de Tour de France voldoende hotelcapaciteit vinden? Wat te doen met de media? „Intern is men nog volop bezig met voorwaarden en details”, zegt een woordvoerder namens Anko Boelens, een van de sportartsen in de UCI-werkgroep. „Het duurt nog minstens een week voor daar iets zinnigs over te zeggen valt.”

Voor Fabio Jakobsen zit er niets anders op dan blind te varen op wat experts hem zeggen. Hij heeft bij zijn ploeg Deceuninck Quick-Step kenbaar gemaakt dat hij twijfels heeft over komende zondag, maar tegelijkertijd wil hij „dolgraag” koersen. En als hij eenmaal aan de start staat, wil hij winnen ook. „Er zijn mensen die hiervoor geleerd hebben, die slimmer zijn dan ik”, zegt hij. „Maar wie weet is dit meteen ook weer de laatste wedstrijd van het seizoen.”