Opinie

Strijder tegen kwakzalverij

Frits Abrahams

Zo langzamerhand is iedereen in de omgeving van de tennisser Novak Djokovic met het coronavirus besmet geraakt. Hij wordt al Djocovid-19 genoemd. Ook Djokovic zelf en zijn vrouw raakten besmet bij een door hem opgezet demonstratietoernooi.

Djokovic geloofde kennelijk niet in preventieve maatregelen, want er werd druk gefeest bij dat toernooi. Eerder had hij zich tegen verplichte vaccinatie uitgesproken. Verbazingwekkend is het niet, want Djokovic gelooft in iets heel anders: acupunctuur en natuurgeneeskunde.

Meteen moest ik denken aan het nieuwe boek van de 74-jarige Cees Renckens: Met het vizier op Kackadoris – Kroniek van de hedendaagse kwakzalverij. Met dit boek neemt Renckens afscheid van het bestuur van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK), waarvan hij ruim drie decennia deel uitmaakte, vooral als voorzitter. Renckens, gepensioneerd gynaecoloog, was het geweten van de medische stand in Nederland waar het de bestrijding van kwakzalverij betrof. Als felle bestrijder maakte hij veel vijanden, die hem soms voor de rechter daagden, waar Renckens meestal won. Hij was ook de motor achter de Kackadorisprijs, een ‘prijs’ voor de ergste kwakzalver van het jaar.

In zijn boek rakelt hij onder meer een aantal geruchtmakende gevallen op waar hij al dan niet persoonlijk bij betrokken raakte. Ik licht er één zaak uit: die van de schrijver-journalist Karel Glastra van Loon, in 1999 bekend geworden met de bestseller De Passievrucht. Glastra van Loon was ook actief lid van de SP.

Hij overleed in 2005 op 42-jarige leeftijd aan een anderhalf jaar eerder vastgestelde hersentumor. Hoewel hij reguliere therapie (bestraling, operaties) onderging, zocht hij ook advies bij een natuurarts die hem een ‘ecologisch dieet’ voorschreef. Hij begon ook de vereniging van Renckens steeds feller aan te vallen.

Renckens schrijft hem: „Terwijl uw partij de SP het meest onberispelijke standpunt inneemt m.b.t. de alternatieve geneeskunde van alle politieke partijen, lijkt u wel in klein rechts te zijn beland met zijn liefde voor homeopathie en natuurgeneeskunde.” Glastra van Loon schrijft terug: „Wat maakt u, als vrouwenarts, er eigenlijk zo zeker van dat het volgen van het Houtsmuller- of het Moermandieet geen enkele positieve invloed heeft op de genezing van kanker (…)?”

Renckens merkt op dat hun vruchteloze discussie kenmerkend was voor elk debat dat hij voerde „met personen die gevallen zijn voor het alternatieve gedachtegoed”. Ik herken dat en heb daarom al jaren geleden besloten zulke discussies uit de weg te gaan. Het is een gesprek tussen gelovigen en ongelovigen, en daar komt zelden iets goeds van.

Toch was het belangrijk dat Renckens het publieke debat met zijn gezag en expertise bleef voeren. Hij toont in zijn boek met statistieken aan dat het vertrouwen in de alternatieve geneeskunde in Nederland dalende is. De schokkende dood in 2001 van Sylvia Millecam, slachtoffer van haar naïeve geloof in allerlei kwakzalvers, zou een kentering hebben ingeluid. Internationaal slaan we een zeer goed figuur, schrijft Renckens in zijn nawoord, „bijna nergens is de alternatieve consumptie zo beperkt als in Nederland”.

Maar Djokovic dan? Die woont dan ook niet in Nederland – wat ik trouwens zeer betreur, maar dan alleen als tennisliefhebber.