De bloemen waren niet meer hetzelfde

Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: Hoe tijd een nieuwe betekenis kan krijgen.
Illustratie Eliane Gerrits

Het virus heeft een bijna vervlogen traditie nieuw leven ingeblazen: het versturen van ansichtkaarten. En niet alleen bij verjaar- en feestdagen, maar ook zomaar. „Gewoon omdat ik aan je denk”, stond er op het zelfgemaakte kaartje van een vriendin dat onlangs op de deurmat viel.

Het was een afbeelding van een gedroogde wilde bostulp. Een bolletje waaruit twee bloemen zich vertakken. Zó op het vergeelde papier gedrapeerd dat het lijkt alsof de wind hen opzij blaast.

Deze zo teder gevangen bloemen komen uit het zestiende-eeuwse Italiaanse herbarium En Tibi dat in Naturalis in Leiden bewaard wordt. Voorin dit met 477 planten gevulde boekwerk, waarschijnlijk van de botanist Francesco Petrollini, staat een Latijnse inscriptie: En tibi perpetuis ridentem floribus hortum – hier voor jou een glimlachende tuin van eeuwigdurende bloemen.

Denkend aan Petrollini, die de tulp een half millennium geleden op een veld in Bologna vond, zie ik mezelf plots weer struinen door de uiterwaarden van de Maas, slechts een halve eeuw geleden. Tijd had toen een andere betekenis. Niet het dwingend ritme dat me door de dag leidt, maar een uitnodiging om de wereld te verkennen.

Tussen de spullen op zolder vond ik op een dag een plantenpers. Mijn grootvader had die gemaakt van wat dunne plankjes en een paar schroeven. Mijn moeder gaf me haar flora, waarin ze voorin haar meisjesnaam had gepend. Wat was er die dag belangrijker dan planten te zoeken en die tussen de planken te drogen om er een herbarium van te maken?

In het weiland lag ik op mijn buik te kijken naar de boterbloemen met hun goudgele blaadjes. Het stugge hondsdraf, de trotse paardenbloem. En mijn lievelingsbloem, de klaproos, ogenschijnlijk zo teer, die windvlaag en regenbui met gemak weerstaat.

Ik stopte de bloemen in mijn tot botaniseertrommel verheven koekblik. Thuis spreidde ik mijn vondsten uit op de tafel en legde die op keukenpapier tussen de plankjes. De dagen erna keek ik af en toe stiekem of de bloemen al droog waren en er mooi bijlagen op dat bobbelige papier. Voorzichtig, want als er iets verschoof kreeg je het nooit meer precies zoals het was.

Veel later, toen ik twee centimeter langer was en de bloemen bijna vergeten, maakte ik de schroeven weer los. Nieuwsgierig trok ik het papier weg. De planten waren niet meer dezelfde als die ik plukte. De kleuren vager, de blaadjes doorzichtig, de steeltjes fragieler. Maar hun essentie was bewaard gebleven. Ze gingen in het HEMA-plakboek waarin ik met sierletters hun namen schreef.

Tijdens de quarantaine, toen de tijd niet meer vooruit stroomde, maar zich verbreedde als een meanderende rivier die buiten zijn oevers treedt, vielen heden en verleden op een wonderlijke manier samen. De tulp van Francesco Petrollini raakte het kind in me aan, door de tijd te laten stilstaan en vijfhonderd jaar vooruit te doen hollen. Hij ving de wind die op een weiland in Bologna de tere bloemkelken opzij deed buigen. Inderdaad, een glimlachende tuin van eeuwige bloemen.

Reacties naar pdejong@ias.edu