Mohammed Allach terug in Palenstein: „Iedereen had me uitgelachen als ik had gezegd dat ik prof wilde worden.”

Interview

Mohammed Allach: ‘Mijn ouders waren een hopeloos slechte match’

Interview | Mohammed Allach De loopbaan van Mohammed Allach loopt niet via een rechte lijn omhoog. Een wandeling in de stad van zijn jeugd brengt veel pijnlijke herinneringen boven. „Als het gevoel ontbreekt, haak ik af.”

„Kijk”, wijst Mohammed Allach, daar woonde ik als kind. „Linksboven op de tiende verdieping.” De flat uit zijn jeugd werd vorige maand afgebroken. Wat rest is de flat waarop hij uitkeek. „Mijn broer stuurde een filmpje van de sloopwerkzaamheden. ‘Onze geschiedenis brokkelt af’, appte hij. ‘Misschien maar beter ook.’”

Allach, technisch directeur van RKC Waalwijk, wilde wandelen in de multiculturele wijk waar hij een groot deel van zijn jeugd woonde: Palenstein in Zoetermeer. Een wat troosteloze wijk met veel hoogbouw waar flink gerenoveerd wordt.

Hij was als kind geen haantje de voorste, zegt hij. „Ik liep niet met mijn dromen te koop. Iedereen had me uitgelachen als ik had gezegd dat ik profvoetballer wilde worden. Werken met coaches als Peter Bosz, Louis van Gaal en Fred Rutten? Het viel in Palenstein buiten het voorstellingsvermogen.”

De loopbaan van Mohammed Allach (Den Haag, 1973) loopt niet via een rechte lijn omhoog. Als verdediger brak hij relatief laat door – op zijn 22ste bij Excelsior – en kampte hij vaak met blessures. Nadat Leo Beenhakker hem op zijn 26ste bij Feyenoord had ingelijfd, besefte Allach al snel dat het te hoog gegrepen was. „Ik zie mezelf nog huilend bij Leo zitten. Of ik alsjeblieft terug naar Excelsior mocht, zodat ik weer aan spelen toekwam.”

Het werd geen Excelsior maar FC Groningen, waar hij uitgroeide tot vaste basisspeler. Maar na twee seizoenen stuurde coach Dwight Lodeweges hem weg omdat hij een „stoorzender” zou zijn. Via de media probeerden club en speler hun gelijk te halen.

Begin dit jaar kwam Allach opnieuw in opspraak, toen hij als technisch-directeur van Vitesse botste met de clubleiding. Hij wil er weinig over kwijt, behalve dat hij als leidinggevende niet kon doen wat hij wilde. „Ik heb bij Vitesse prachtige dingen beleefd, zoals het winnen van de KNVB-beker in 2017, maar ik voelde me er niet meer senang. Als het gevoel ontbreekt, haak ik af.”

Dit interview vond, op verzoek van NRC, plaats tijdens een wandeling. Mohammed Allach, technisch directeur van RKC, koos als locatie de Zoetermeerse wijk Palenstein, waar hij een deel van zijn jeugd woonde.

Veel van de keuzes die hij in zijn leven heeft gemaakt, zijn terug te voeren op die eerste jaren in Palenstein, denkt Allach. Hij is er al twintig jaar niet meer geweest, hooguit reed hij er een keer langs. Op deze plek hoopt hij een andere kant van zichzelf te laten zien.

Hij is geen man van grote emoties, maar al lopende wordt duidelijk hoeveel oud zeer in Palenstein verborgen ligt. „En ik maar denken dat ik het redelijk voor elkaar had”, zegt hij met een wrang lachje.

ADD’er

Allach is de middelste van vijf kinderen; vier jongens en een meisje. Zijn Marokkaanse ouders beproefden hun geluk begin jaren zeventig in Nederland. Vader vond een baan als lopendebandmedewerker bij een zuivelfabriek in Zoetermeer, moeder was schoonmaakster in een bejaardentehuis. Ze waren zelden thuis, de kinderen moesten zichzelf zien te redden.

Een gevoelig kind was hij, zegt Allach, nu zou hij misschien de diagnose ADD krijgen. Zijn oudere broers runden het huishouden, maar ook hij moest als kind belastingaangiften invullen. „Al jong droeg ik veel verantwoordelijkheid.”

Geldgebrek was in huize Allach een terugkerend onderwerp, de schulden stapelden zich op. Lang douchen was uit den boze. De wasmachine mocht niet te vaak draaien. En voor de deur lag een handdoek om de warmte binnen te houden. Het zit zo ingebakken, zegt hij, dat het hem stoort als zijn dochters ongevraagd iets uit de koelkast pakken. „Ik wil dat ze beseffen wat een luxe dat is.”

We gaan op zoek naar de mini-speeltuin waar hij als kind veel tijd doorbracht. De schommel, glijbaan en het klimrek zijn vernieuwd, maar verder is alles bij het oude gebleven. Gretig kijkt hij om zich heen, op zoek naar herkenningspunten.

Allach wil niet zielig overkomen, zegt hij, want een slachtoffer heeft hij zich nooit gevoeld. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij zich in Palenstein vaak machteloos heeft gevoeld. „Mijn ouders waren een hopeloos slechte match. Buren klaagden over de heftige ruzies. Nu ik zelf vader ben weet ik hoe moeilijk opvoeden is, maar sommige dingen …”, hij zwijgt even, „… zijn niet te herstellen. Hoe diep je ook van iemand houdt, dan moet je afstand nemen.”

Zijn ouders scheidden toen hij negen was, maar de jaren ervoor waren de moeilijkste uit zijn leven. De spanningen in het gezin liepen zó hoog op, dat de Kinderbescherming er aan te pas moest komen. Mohammed werd in tehuizen ondergebracht, waarna hij met zijn moeder, broers en zus in een Blijf-van-mijn-lijfhuis belandde. „Ik zal nooit de boze mannen vergeten die hun vrouw en kinderen kwamen opeisen”, zegt hij. „Dan dacht ik: zou mijn vader hier straks ook staan?”

Poging tot gezinshereniging

Op de plek waar ooit zijn basisschool stond – nu een leeg grasveld langs een sloot – vertelt Allach over de dag dat zijn vader de kinderen mee naar Marokko nam, tot wanhoop van zijn moeder, die met de baby achterbleef. Het was een uiterste poging tot gezinshereniging, denkt hij. Van een ontvoering wil Allach niet spreken, maar een ultimatum was het natuurlijk wel.

In de havenplaats Al Hoceima woonde Allach een jaar bij familie van zijn vader. Een „heftige” tijd, want niet alleen sprak hij de taal slecht en miste hij zijn moeder, ook werd hij op school geslagen met een liniaal als hij zich de lesstof niet snel genoeg eigen maakte. Met grote tegenzin zong hij ’s ochtends met klasgenoten het Marokkaanse volkslied onder de vlag.

Ook voor de rechten van Joden en homo’s moeten we de straat op

In die tijd groeide zijn afkeer van dwang, vermoedt Allach. Wat er ook gebeurt, hij wil controle over zijn leven. Die behoefte is zó sterk, dat zelfs de grootst mogelijke materiële welvaart er niet tegenop kan.

Als voorbeeld noemt Allach zijn vertrek als technisch-directeur bij Maccabi Haifa in 2018. Met zijn gezin woonde hij in een prachtige villa met zwembad, er stonden twee auto’s voor de deur en hij had een heel goed salaris. Ook zijn vrouw en kinderen hadden het na verloop van tijd erg naar hun zin in Haifa. „Maar ik miste de connectie wat visie en strategie betreft. Procesmatig denken was bij Maccabi bijna een vloek. Ik moest me te veel aanpassen.”

Als moslim voelde hij zich op zijn gemak in Israël, waar „iedereen wel een verhaal heeft”. Hij las veel over het jodendom en vierde joodse feestdagen mee – iets wat sommigen in de Marokkaanse gemeenschap als verraad beschouwen. „Maar toen ik niet meer kon doen wat ik wilde, was ik weg.”

In de voetbalwereld houden mensen hem vaak voor een jobhopper, weet Allach. „Daar zit een kern van waarheid in.” Maar het is niet omdat hij zich snel verveelt of superieur voelt. Hij is gewoon vrij van geest. „Ik wil niet in een keurslijf. Daar word ik dwars van.”

Bij de Zoetermeerse amateurclub DWO leerde hij dingen die je normaal van je ouders meekrijgt: je wekker zetten, afspraken nakomen, de dag beginnen met een goed ontbijt. Hij heeft er tergend lang over gedaan om een academisch denkniveau te bereiken, maar beseft dat het ook heel anders met hem had kunnen aflopen. „Meerdere jeugdvrienden gingen het criminele pad op. De omstandigheden waren ernaar om te ontsporen.”

Verdiep je in spelers

Tegen trainers met wie hij de afgelopen jaren als technisch-directeur samenwerkte, zei hij altijd hetzelfde: verdiep je in je spelers. Opvoeding, afkomst en intelligentie bepalen mede hoe iemand presteert. Over de sportieve lat valt niet te twisten, maar het mag best meer op maat. Creëer veiligheid, zodat spelers zich goed kunnen ontwikkelen. Benoem hun kwaliteiten, zodat ze zich gezien voelen.

Neem het conflict bij FC Groningen met coach Lodeweges, zegt Allach. Het kan best dat hij – een verbaal sterke jongen die snakte naar erkenning – een stoorzender was. Maar wáárom sprak Lodeweges hem ten overstaan van de groep aan op zijn gedrag en persoon? „In de Marokkaanse cultuur wordt dat als zeer vernederend ervaren. Zelfs mijn vrouw mag mij niet op die manier aanpakken waar andere mensen bij zijn.”

Mohammed Allach, technisch directeur van eredivisieclub RKC.

Foto Merlijn Doomernik

Met belangstelling volgt Allach de felle debatten over Black Lives Matter. Uit ervaring weet hij hoe het voelt als winkelpersoneel je schaduwt, als je er als enige in de rij voor de discotheek wordt uitgepikt. „Dat is kut”, klinkt het fel. Hij weet nog goed dat hij een keer voor het stoplicht stond in zijn snelle auto. De jonge bestuurder naast hem deed zijn raam open. Allach deed hetzelfde, in de veronderstelling dat hij een routebeschrijving moest geven. ‘Die heb je zeker cash betaald’, zei de jongen, knikkend naar zijn auto. Allach: „Het raakte me enorm. Maar wat had het voor zin te schelden? Ik keek hem strak aan en zei: ‘Hé kerel, wat vervelend dat je dat zegt. Ik werk hard voor mijn geld.’ De jongen schrok en bood zijn excuses aan. Daarna reden we door.”

All lives matter”, zegt Allach op ernstige toon. Ook homo’s die niet vrijelijk hand in hand kunnen lopen. En de joodse winkelier wiens winkelruit wordt vernield. „Voor hun rechten moeten we ook de straat op.” Hij had graag met zijn dochters de anti-racisme-actie op de Dam bijgewoond, zegt hij, maar de angst voor corona – zijn schoonvader is 82 – hield hem tegen. „Al vraag ik me wel af of al dat protesteren niet te vrijblijvend is. Hoeveel van die demonstranten zijn lid van een politieke partij? Hoeveel maken gebruik van hun stemrecht? Blijven we na de demonstraties ook in gesprek?”

Na tweeënhalf uur zijn we terug bij de flat die alleen nog in zijn hoofd bestaat. „Ik heb lang getwijfeld of ik wel zo open moet zijn”, zegt Allach. Het oordeel van anderen boezemt hem angst in. „Maar dan denk ik aan mijn moeder die in haar eentje vijf kinderen onderhield. Als zij het overleeft, waarom ik niet?”