Waarom Omtzigts kandidatuur in feite om de ziel van de landspolitiek draait

Deze week: harde verwijten voor Hoekstra en Ploum in het CDA, de overval van Omtzigt, de last op de schouders van 40.000 CDA-leden. Ofwel: kan een middenpartij de mentale gesteldheid van een oppositiepartij aannemen?

Toen in de loop van donderdag tot de CDA-circuits doordrong dat het ongedachte stond te gebeuren – Pieter Omtzigt, lijsttrekkerskandidaat – waren de recensies over de rol van leidende CDA’ers bij de interne gang van zaken niet mals.

Als Rutger Ploum en Wopke Hoekstra hadden kunnen meeluisteren, zou het me niet hebben verbaasd als die twee – toch geen bescheiden mannen – samen schielijk onder de dichtstbijzijnde tafel waren geschoten.

Bijna de hele vorige eeuw was de christendemocratie de stroming van de vaste bestuurlijke hand. De bestuurlijke ruggengraat van het land. En nu was in anderhalve week een interessante uitgangspositie voor de komende Tweede Kamerverkiezingen veranderd in een open leiderschapsverkiezing waarover het CDA-bestuur de regie volledig kwijt was.

Rutger Ploum, de partijvoorzitter, werd verweten dat hij vorige week maandag de kroonprins(es)en dwong een openlijke keuze over hun kandidatuur te maken.

Voormalig kroonprins Wopke Hoekstra werd verweten dat hij om carrièreredenen afhaakte, en niet meteen steun aan Hugo de Jonge uitsprak.

Zo glipte de partijtop het voornemen van een beeldbepalende aanwijzing van een nieuwe leider – één verhaal, één gezicht – door de vingers, en kwam het veld wagenwijd open te liggen.

„De verontwaardiging in de bobo-hoek is enorm”, zei een waarnemer donderdagmiddag.

Het resultaat: vier kandidaten, met vier verhalen. En daarbij een angst die niemand openlijk wilde verwoorden, maar die door talrijke Haagse CDA’ers, ook in de top, werd geuit: dat Pieter Omtzigt geliefd is bij de leden en een uitstekende volksvertegenwoordiger – maar veel te individualistisch voor het partijleiderschap.

Het confronteerde het CDA met een pijnlijke werkelijkheid die de tijdgeest voortreffelijk weergeeft: ook in het CDA legt de traditie van bestuurlijke regie het nu af tegen het individuele verlangen naar optimale ledendemocratie.

En de gevolgen strekken zich uit tot de hele Haagse politiek.

Feit is dat het geloof van de CDA-leiding in ledendemocratie nooit enorm is geweest.

Een beetje democratie was er altijd wel – maar afgezien van dat befaamde congres in 2010 over de gedoogcoalitie met de PVV deed die er zelden echt toe.

Daar is ook een simpele verklaring voor: via een volledig open democratisch debat kom je uit op de inhoudelijke kern van een partij. Maar als je dit bij het CDA doet, vind je die niet: het CDA heeft amper een inhoudelijke kern.

Hier kun je over smalen, maar dat is misschien te gemakkelijk. Het CDA is er in de eigen ogen voor opgericht tegenstellingen te overbruggen. Het CDA is er voor protestanten én katholieken. Voor werkgevers én werknemers. Voor artsen én verpleegkundigen. Voor platteland én stad. Et cetera.

Het is het wezen van een middenpartij of, zoals oud-premier Balkenende zei, een ‘extreem christen-democratische’ partij. Ze hebben wel een programma, ze hebben standpunten en uitgangspunten, maar altijd om er ‘samen’ met andersdenkenden ‘uit te komen’.

En feit is dat de christen-democratie sinds de invoering van het algemeen kiesrecht 90 van de 103 jaar heeft geregeerd. Zo bepaalde deze stroming in hoge mate de ordening van het moderne Nederland.

Dus het paste volmaakt in de traditie om ook dit jaar de verkiezing van een nieuwe lijsttrekker voor te koken. Daar ging de partijtop ook vanuit. Al zeker een half jaar spoorden leden van de CDA-leiding de ministers Hoekstra en Hugo de Jonge intern aan om samen te bepalen wie van hen het moest worden. Niet voor niets keerde De Jonge zich in maart tegen een lijsttrekkersstrijd.

Het probleem voor partijvoorzitter Rutger Ploum was alleen dat zijn electoraal kansrijkste kroonprins, Hoekstra, niet toehapte. Hij gruwde intern van het vooruitzicht dat de VVD de grootste bleef en hij in de Kamerbankjes terechtkwam. Toch gaf hij Ploum geen definitief uitsluitsel.

Dus forceerde de voorzitter dit vorige week met de openstelling van de procedure. Toen volgde de tweede verrassing: Hoekstra haakte af maar onthield zich, anders dan de partijtop verwachtte, van een snelle steunbetuiging aan De Jonge.

Zo moet De Jonge het nu uitvechten met staatssecretaris Mona Keijzer en de Kamerleden Omtzigt en Martijn van Helvert. En het bijzondere is dat enkele van deze opponenten de tegenstellingen meteen opzochten. Keijzer is kandidaat van het platteland en de ondernemers. Van Helvert benadrukt zijn Limburgse afkomst om de kloof tussen stad en regio te dichten. Beide willen eventueel samenwerken met FVD, een heropening van een debat dat het CDA sinds de gedoogcoalitie met Wilders (2010-12) splijt. Niet echt een manier om de partij heel te houden.

Omtzigt speelt ook met zijn niet-Randstedelijke afkomst, maar als leider zou hij nog veel verder van het traditioneel gouvernementele CDA afstaan. Hij benadrukt vooral zijn successen als controlerend Kamerlid, en zijn – terechte – kritiek op de werkwijze van het parlement en de overheid die hij daarop baseert.

Het interessante hieraan is dat hij zich zo opwerpt als kandidaat-partijleider die vooral argwaan voor onverantwoorde staatsmacht agendeert. Op zichzelf past dit in de traditie van de christen-democratie, vooral van de antirevolutionaire stroming. Maar in de moderne geschiedenis, vanaf het moment dat het CDA in 1977 voor het eerst als fusiepartij aan verkiezingen meedeed, had de partij alleen lijsttrekkers (Van Agt, Lubbers, Brinkman, Balkenende, Buma) die zich de facto als premierskandidaat presenteerden.

En Omtzigt zou van het CDA een middenpartij met de mentale gesteldheid van een oppositiepartij maken. Daarmee gaat deze leiderschapsstrijd over véél meer dan alleen het CDA. Het gaat over de ziel van de Haagse politiek, over de kern van onze verkiezingen: draaien die om het premierschap of om controle op de overheidsmacht? Formeel om het laatste – we kiezen de Kamer, niet het kabinet – maar in de praktijk eindigen campagnes al decennia bij de premiervraag.

Doorredenerend zou het CDA onder hem het centrum van de macht verlaten – en zich daar tegenover plaatsen. Zoals een kopstuk donderdag zei: „Pieter is nu eenmaal geen Merkel.” Het verklaart mede waarom zoveel Haagse CDA’ers opzien tegen een mogelijke zege van Omtzigt. Zij zeggen: hij is briljant, hij achterhaalt elke fout, maar te solistisch om de partij bij elkaar te houden.

Al heb je er ook die hem gelijk geven. Zij zien dat de VVD van Rutte het nieuwe CDA is geworden: principeloos, alleen georiënteerd op oplossingen, een machtsmachine gebaseerd op de electorale kracht van de premier. In die redenering is de traditionele ruimte voor het CDA al vergeven – en is er geen enkele reden meer dat het CDA een natuurlijke regeringspartij blijft.

Het zou ook voor deze coalitie nogal een risico zijn. Om iets te noemen: later deze zomer moet Rutte zijn verzet tegen een Europees herstelfonds voor corona staken, en instemmen met een vorm van gemeenschappelijke Europese schuld. Omtzigt is in de Kamer leider van het verzet hiertegen, een explosief thema, en dan is de vraag: hoe zou hij zich als CDA-leider tegen Rutte opstellen?

Slechts 40.000 partijleden bepalen de komende twee weken wie de CDA-leider wordt. Het is lang geleden dat zo’n kleine groep zoveel invloed op de nationale politiek had. Het toont evengoed aan dat het CDA, zoals zoveel andere partijen, het belang van ledendemocratie veel te lang heeft verwaarloosd – zodat de partij nu amper een idee heeft waaraan ze precies begonnen is.