Opinie

Veeg je eigen straatje schoon – gooi Derksen voor de bus!

Zihni Özdil

‘Je moet in Nederland altijd precies weten hoe ver je te ver kunt gaan.” Een betere samenvatting van de Nederlandse cultuur dan deze uitspraak van Wim Kan is er niet. In ons land gaat het vooral over óf je iets mag zeggen, welke woorden je wel of niet mag gebruiken, en wie ze mag gebruiken. Voorbeelden in overvloed, maar ik zal proberen het te illustreren met een persoonlijke anekdote.

In 2001 was ik een piepjonge student met verkering. Na een half jaar wilden haar ouders mij ontmoeten. Het eerste dat haar vader zei toen hij mij zag: „Een Turk over de vloer! Wat moeten we nu tegen de buren zeggen? Hahaha!” Lachen, gieren, brullen. Ik schoot ook in de lach. Fijn, het ijs was meteen gebroken. De Turkengrappen vlogen de hele dag om mijn oren. Omdat ik ook toen al een liefhebber van harde grappen was, lachte ik keihard mee.

De volgende dag gingen ze onverminderd door. Bij het ontbijt beet de moeder de spits af: „We hebben jouw stoel expres richting Mekka gezet. Hahaha!” Op de derde en laatste dag bezochten we de oudere broer van mijn vriendin. Samen met zijn vrouw serveerde hij thee. „Toe Zihni, neem wat extra suiker, jullie Turken houden toch van heel zoet? Hahaha!” Mijn vriendin, haar ouders, broer en schoonzus lachten zich, alweer, kapot.

Maar ik vond het niet meer zo grappig. Het moment om terug te slaan was dan ook aangebroken: „Weet je zeker dat ik meer dan één suikerklontje mag?”, vroeg ik. „Ja Zihni, pak, jullie houden toch zo van zoet? Hahaha!” Ik antwoordde: „Maar jullie Nederlanders zijn toch zo gierig?”

Meteen sloeg de sfeer om. Vol verontwaardiging, en zonder enig gevoel voor ironie, vroegen de ouders hoe ik zoiets durfde te zeggen, nadat ze mij dagenlang zo gastvrij hadden onthaald! Tot overmaat van ramp kreeg ik ook geen steun van mijn vriendin. Zij was net zo boos op mij omdat ik zo’n ‘foute grap’ richting haar familie had gemaakt.

In het programma Voetbal Inside ging Johan Derksen zeventien jaar lang tekeer, precies zoals de ouders van mijn vriendin destijds. En ook precies zoals de Nederlandse volksaard, zo mooi geduid door Wim Kan, dicteert: keihard uitdelen en trappen daar waar de minste kans ligt om een trap terug te krijgen.

Begrijp me niet verkeerd, ik zal eerder het neoliberalisme verdedigen dan de moraliserende grappenpolitie vertegenwoordigen. Racistische grappen vind ik ontzettend vermakelijk – hoe harder hoe beter. Maar het is altijd eenrichtingsverkeer, het vermogen om zelf eens te incasseren ontbreekt. Daardoor is de racistische grap geen leuke plaagstoot meer, maar een venijnige, laffe, uithaal.

Juist daarom neem ik het op voor Johan Derksen. Zeventien jaar lang zagen publiek noch adverteerders een probleem in zijn typisch Nederlandse manier van uitdelen. Integendeel. Nederland speelde zijn naarste karaktertrek in volle glorie uit – en Derksen was het instrument. Pas nadat een buitenlandse beweging de wereld overspoelde, werd Derksen van de ene op de andere dag de boeman. Lekker makkelijk en lekker Nederlands: zo snel mogelijk iemand voor de bus gooien om het eigen straatje schoon te vegen.

Nederlandse adverteerders, columnisten, intellectuelen en schrijvers die antiracisme al die jaren ‘gezeik’ vonden of zich er buiten hielden, zijn nu, binnen twee weken, de grootste social justice warriors geworden.

Maar omdat dat op z’n Nederlands gaat - zonder inhoudelijk debat, zonder lucht, zonder mededogen en zonder moed - ga ik er niet in mee. Want ik weet dat het morgen weer honderdtachtig graden de andere kant kan op draaien, zodra er een andere tijdsgeest uit het buitenland over waait.

Op de weg terug naar huis, in de trein, na dat enerverende weekend in 2001, heb ik het meteen uitgemaakt met de jonge vrouw die het niet voor me opnam.

Dat voelde zeer bevrijdend.

Zihni Özdil is historicus.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.