Opinie

Hoe het N-woord boven een schilderij verdween van de kop naar een noot

De ombudsman

Johan Derksen zat er sneu bij in zijn eigen tv-programma. Kon hij dan echt niet begrijpen dat zijn opmerkingen pijn deden? Empathie was het sleutelwoord, zoals Arjen Fortuin in zijn column vaststelde.

Nu zat er wel een paradox in de mini-cursus antiracisme die Derksen kreeg. Hem werd empathie gevraagd, maar tegelijk kreeg hij te horen dat witte mensen nu eenmaal niet kunnen voelen wat zwarte mensen voelen.

Maar als dat zo is, hoe kun je dan empathie opbrengen? Dat is immers: je kunnen inleven.

En dat kan natuurlijk heel goed. Gevoelens mogen subjectief zijn, je kunt je inleven in anderen zonder precies hetzelfde te hebben meegemaakt. Lezen en luisteren helpen om je in andere tijden en mensen te verplaatsen. Het is het bestaansrecht van literatuur.

Hoeveel empathie heeft NRC?

Online verscheen vorige week een stuk van de Kunstredactie over een schilderij van Simon Maris van een jonge zwarte vrouw. Het schilderij (1906) heet nu ‘Jonge vrouw met waaier’, maar stond eerder bekend, aldus het artikel, als ‘Het n*’tje’. Met sterretje, conform de Amerikaanse gewoonte om het N-woord af te korten.

Enkele lezers schreven dat ze de gevoeligheid voor het woord begrepen, maar het bizar vonden dat de krant de vroegere benaming van een schilderij censureerde. Tot die conclusie was de hoofdredactie ook gekomen, dus in druk verscheen het stuk met de volledige oude naam. Online werd in een „update” gemeld dat de naam van was aangepast „omwille van de feitelijkheid”.

Het is een punt. Een columnist van The New York Times schreef dat witte burgerrechten-activisten in de VS werden uitgemaakt voor „N-word lovers”. Maar het werd die activisten natuurlijk niet verweten dat ze van dat scheldwoord hielden, maar van de mensen naar wie het moest verwijzen.

De tijden zijn bij NRC in elk geval snel veranderd. Dat blijkt al uit het feit dat de redactie, toen het schilderij van Maris in 2015 werd hernoemd, dus nog maar vijf jaar geleden, boven dat bericht onbekommerd deze kop zette: Een negerbediende heet voortaan een jonge zwarte vrouw. Een kop die nu dubbel fout lijkt. Niet alleen door het uitschrijven van het N-woord in de kop (en dat dus nadruk te geven) maar ook door het zelf te gebruiken in plaats van te citeren. Daardoor lijkt de krant te zeggen: die bediende wordt nu wel anders genoemd, maar ís een, nou ja, een N-woordbediende.

Des te opvallender, omdat NRC dat jaar was beland in de heftigste N-woord-rel uit zijn annalen. Boven een recensie van een boek van de gevierde zwarte auteur Ta-Nehisi Coates had de redactie een kop gezet met het Amerikaanse N-woord nigger erin. Ook nog met goede bedoelingen (de redactie zag de kop, een citaat uit een ander boek, als een cynische aanklacht tegen racisme) maar die ontploffen wel vaker in je gezicht. De kop werd opgepikt door The Washington Post – en een internationale rel was geboren.

Er volgden hoofdredactionele excuses. Maar opmerkelijk genoeg kon je die kop op nrc.nl tot voor kort nog gewoon vinden. Pas toen er onlangs een lijstje met aan te raden antiracisme-boeken moest komen, is de kop online aangepast. En van de weeromstuit weer puriteins grondig: het woord is zelfs verwijderd uit de link naar het stuk.

Uit het digitale archief duikt het N-woord overigens al begin jaren negentig op, maar heel anders. In een boekbespreking schrijft Hugo Brandt Corstius dat gekrenkte romanschrijvers recensenten wel eens „het gevreesde N-woord” nagillen. Dat is kort voor „neerlandicus”, een scheldwoord voor gortdroge literatuurcritici.

Tien jaar later gebruikt taaljournalist Ewoud Sanders de N-afkorting in een reeks artikelen over weer een heel andere bezigheid, neuken. En dan komen we de kuise N ook nog tegen als aanduiding van de onfortuinlijke staatssecretaris Annette Nijs (2002-2004) die in de knel kwam door een iets te openhartig interview in Nieuwe Revu. „Het N-woord” werd toen door haar VVD-collega’s gemeden. Na haar aftreden werd Nijs trouwens opgevolgd door het R-woord, voornaam Mark.

Intussen is het N-woord uit eigen tekst van redacteuren nagenoeg verdwenen – terecht. Maar citaten blijven iets anders. Daarin speelt niet alleen ‘feitelijkheid’. Ook het kardinale onderscheid in betekenis tussen use en mention is hier van belang, het verschil tussen het gebruiken van een woord om naar iets in de werkelijkheid te verwijzen, en een bewering doen óver een woord. In een citaat of verwijzing, zoals in de taalrubriek van Sanders of in een polemiek tegen het provocerende gebruik van het woord om stoer te doen of te kwetsen.

In de praktijk kan dat verschil vervagen. Wie het N-woord gretig blijft citeren, keer op keer op keer, is eerder bezig het woord zelf te gebruiken dan het te noemen. dat is de valkuil van ‘geciteerd racisme’; voetbalanalisten kunnen er inmiddels over meepraten.

De radicale route is: het woord, en soortgelijke, volledig uitbannen. Dat is zo in Zuid-Afrika, waar woorden als „kaffir” gelden als strafbare hate speech. In de VS wordt het daar beruchte N-woord trouwens ook niet uitgeschreven door rechtse media die zich tegen antiracisme-activisten keren.

Nu is Nederland nog altijd geen Amerika en zeker geen Zuid-Afrika. Een journalistiek taboe op woorden heeft daarnaast ook een valkuil: de eis om nooit geconfronteerd te worden, zelfs niet indirect, met beladen taal. Dat een achterhaald woord niet meer getoond mag worden, zoals een koloniaal standbeeld, lijkt me een ongeschikt uitgangspunt voor journalistiek die historische feiten wil blijven benoemen.

Bovendien, empathie kan ook blijken uit de manier waarop je woorden wel gebruikt, niet alleen uit het weglaten ervan.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.