Recensie

Recensie Boeken

Het verhaal van een tweelingzus die haar tweelingbroer moet missen

Jente Posthuma Wie op dezelfde dag geboren wordt, gaat het liefst ook op dezelfde dag dood. In Waar ik liever niet aan denk, de tweede roman van Jente Posthuma, is dat een tweeling niet gegund.

Wie op dezelfde dag geboren wordt, gaat liefst ook op dezelfde dag dood. In Waar ik liever niet aan denk, de tweede roman van Jente Posthuma (1974), is dat een tweeling niet gegund. Dit is het verhaal van een tweelingzus die haar tweelingbroer moet missen. Op hun vijfendertigste fietst hij expres de plomp in en verdrinkt, zij blijft leven.

De roman bestaat uit losse flodders, associaties, vragen, herinneringen, verspringend door de tijd. De pagina’s zijn zelden helemaal met tekst gevuld. Het zijn schijnbaar losse bemerkingen zonder duidelijke structuur of chronologie. Waar ik liever niet aan denk leest daardoor als een speurtocht, waar steeds meer lijn in komt. De vrouw die aan het woord is, vertelt wat haar zoal te binnen schiet. Ze wil erachter komen waarom en wanneer haar broer een andere afslag nam. Had zij hem kunnen redden? Beetje bij beetje durft ze ervoor te kiezen zelf door te willen leven.

Knap brengt Posthuma de aanvankelijke vanzelfsprekendheid van het samenzijn van de ik-persoon met haar broer in beeld: ‘Soms maakten we ruzie over onze herinneringen. Welke herinnering was van wie?’ Uit allerlei voorbeelden blijkt hoe de identiteiten van de tweeling als kind in elkaar overvloeiden. Wie reed de auto van hun moeder door de heg, hij of zij?

De toon is nogal droog: ‘Tweelingen eigenen zich vaker elkaars herinneringen toe, daar is uitgebreid onderzoek naar gedaan.’ Toch sijpelt het gevoel van deze verteller overal door. Met niemand kan ze zo de slappe lach hebben als met haar tweelingbroer; niemands nabijheid voelt ooit zo kloppend en vanzelfsprekend.

Gaandeweg komt er meer ruimte voor de mindere kanten van het tweelingschap. Er is altijd iemand om bij af te steken, of om bovenuit te stijgen. Het is knap hoe Posthuma de competitie en de jaloezie tussen zus en broer vangt. Hield de moeder meer van hem dan van haar? Of leek dat zo, omdat hij van jongsaf meer troost behoefde? Moet je altijd trouw zijn aan elkaar als tweeling, of mag je soms de voorkeur geven aan ander gezelschap? Heeft de eerstgeborene pech of juist geluk? ‘De oudsten gaan altijd het eerst kapot’, zegt de broer, die als eerste ter wereld kwam. ‘De oudste wordt altijd meer opgemerkt’, zegt zij, de zus.

De roman is een knappe oefening in perspectief. Is het wel betrouwbaar wat de ik-figuur over haar broer en zichzelf beweert? Steunde ze hem of dramde ze? Wie speelde de baas over wie, of wisselde dat, en hoe zou hij hun verhaal hebben verteld? Veelzeggend is de volgende scène: ‘Je mag kiezen, zei ik, thuis de doden herdenken of bij het oorlogsmomument in het park. Hij koos voor thuis, maar we gingen naar het park omdat ik vond dat hij meer onder de mensen moest komen. Bovendien mocht hij vorig jaar ook al kiezen, herinnerde ik me ineens.’

Uiteindelijk is Waar ik liever niet aan denk de weerslag van een verwerking, en het verhaal van een verzoening, met het lot. Door haar eigen rol uit te vergroten, ontdekt de ik-persoon hoe klein die helaas was. Haar broer was depressief en had al jong een doodswens. Hij voelde zich in de kern veel meer alleen dan zij.