Opinie

Voor altijd weet ik: daar lag Christina

Column Amsterdam

Auke Kok

Dat stukje Prinsengracht wordt nooit meer hetzelfde. Voortaan zie ik Christina en haar oudere broer Willem voor me als ik dat stukje tussen Leidsegracht en Leidsestraat passeer. Christina en Willem waren er achtergelaten door hun moeder, weerloos, dakloos. En radeloos, het meisje van zeven en de jongen van negen hadden geen idee waar ze vandaan kwamen. Ik stel me voor hoe ze angstig om zich heen keken naar het verkeer van handkarren en koetsen met paarden, en hoe versuft en verward ze waren door de vele indrukken. Ze leken langs de gracht te moeten slapen, maar nog diezelfde avond mochten ze het gigantische pand binnen waar ze letterlijk tegenop zagen: het Aalmoezeniersweeshuis.

Tot voor kort dacht ik fietsend langs het Paleis van Justitie soms aan de talloze verdachten die er tussen 1830 en 2013 zijn binnengeleid. Dankzij de expositie Vondelingen – Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam in het Stadsarchief is dat voorbij. Nu denk ik aan de wezen die vroeger in datzelfde pand aan de Prinsengracht hebben gewoond. Die verandering – verrijking mag ik wel zeggen – dank ik aan de tentoonstelling en het al even fraaie boek van Nanda Geuzebroek.

In het economisch diep weggezakte Amsterdam van rond 1800 joeg de wanhoop als een novemberstorm door de stegen

Christina en haar broer waren afkomstig van de Wallen – in hun tijd, eind achttiende eeuw, een heel eind weg voor paupers zoals zij. In deze vreemde omgeving kwamen ze ook nog eens te wonen in dit indrukwekkende pand, dat in de zeventiende eeuw was gesticht om hulpeloze kinderen zoals zij onderdak te bieden. Op 6 november 1787 verdwenen hun namen in een dik, inmiddels verweerd administratieboek. Twee kinderen van een inmiddels alleenstaande moeder zonder dak en inkomsten. De wanhoop van de moeder zal immens zijn geweest. Dat gold toen voor vele moeders – in het economisch diep weggezakte Amsterdam van rond 1800 joeg de wanhoop als een novemberstorm door de stegen. De opvangtehuizen zaten overvol.

Het zijn verhalen die je bij alle lof voor de gratie en rijke historie van Amsterdam zelden hoort: de diepe ellende van de ouders die geen andere oplossing zagen dan hun kinderen af te staan. En aangezien dat verboden was, bijna altijd anoniem. Stiekem lieten moeders hun baby’s en peuters achter in mandjes op plekken waar ze hopelijk snel gevonden zouden worden. Zoals in de directe omgeving van het Aalmoezeniersweeshuis. Christina en haar broer zelfs vlak voor de Jongenspoort: ongeveer in het midden van het statige pand dat we nu kennen.

Daar zie ik voortaan twee ontredderde kinderen voor me, in afwachting van hulp. Hielden ze die eerste uren na het vertrek van hun moeder hun hand op als er rijkelui voorbijkwamen?

Hoe het verder met hen ging kunt u op de expositie in het Stadsarchief zien. Voor mij resteert vooral het beeld van dat stukje Prinsengracht: áchter de façade honderden kinderen in uniform, ervoor iedere dag weer nieuwe vondelingen, hongerig, soms kleumend, en vaak met alleen maar een briefje bij zich van een moeder die het ook niet meer weet.

Auke Kok is schrijver en journalist.
Lees ook: Keer op keer keerde de Zwarte Dood terug in Amsterdam

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.