Recensie

Recensie Media

Op Amerikaanse krantenredacties ontstaat ‘een woke dictatuur’, vinden critici

Journalistiek Op Amerikaanse redacties zijn journalisten in protest gekomen tegen slappe ‘enerzijds, anderzijds’-berichtgeving over racisme. Maar wat is die veel gesmade objectiviteit?

Protesten in Victorville, Californië, 16 juni 2020.
Protesten in Victorville, Californië, 16 juni 2020. Foto Etienne Laurent/EPA

Crisis in de Amerikaanse journalistiek, en nu niet door dalende oplages of ontslagen, maar door redactionele opstand. Op redacties van Amerikaanse kranten knettert het, door de anti-racisme-protesten die het land in hun greep houden. Onder invloed van de protesten tegen anti-zwart racisme komen ook journalisten in actie op de werkvloer.

Bij The New York Times leidde een opiniestuk dat pleitte voor het inzetten van het leger om de orde te herstellen tot protest van meer dan duizend (!) redacteuren – en het vertrek van de chef Opinie. Zwarte journalisten van de krant voelden zich persoonlijk bedreigd door het stuk. Een poging tot humor boven een column over vandalisme (Buildings Matter, Too) kostte bij The Philadelphia Inquirer de hoofdredacteur de kop. Ook op andere redacties keren journalisten zich tegen bloedeloze berichtgeving die de structurele werkelijkheid van racisme in het land verhult. ‘Objectiviteit’ en plichtmatig streven naar ‘evenwicht’, bothsideism, moeten worden verruild voor journalistiek die vertrekt vanuit ‘een plek van morele helderheid’, bepleitte een verslaggever die in onmin vertrok bij The Washington Post.

Woke-dictatuur

Inmiddels signaleren verbouwereerde critici van dat pleidooi al de ‘zelfmoord van de Amerikaanse journalistiek’ of de vestiging van ‘een woke dictatuur’ van activisten die maar één waarheid accepteren, namelijk de hunne. Dat zou de bijl aan de wortel van het vak leggen, met eenzijdig puritanisme in de berichtgeving en safetyism op redacties, de onwil om geconfronteerd te worden met ongepaste feiten, opinies of zelfs woorden.

Die paniek is overdreven, maar dat er een cultuuromslag plaatsvindt in de Amerikaanse journalistiek staat wel vast. Wie wil weten hoe ‘activistische’ journalisten daarover denken, kan goed terecht in The View From Somewhere van freelance schrijver en transgender-activist Lewis Raven Wallace. In zijn boek herhaalt hij alle (over)bekende argumenten tegen het streven naar objectiviteit. Journalisten maken voortdurend subjectieve keuzes, al dan niet bewust; objectiviteit is hoe dan ook ‘onmenselijk’ en dus geen wenselijk ideaal; achter zogenaamd ‘neutrale’ objectiviteit schuilen macht en belangen (ja, vooral die van het kapitalisme en witte suprematie). Kortom, journalisten werken niet vanuit ‘nergens’ (de titel is een variatie op The view from nowhere, een boek van filosoof Thomas Nagel).

Transman

Hij lardeert die beschouwingen met autobiografische passages over zijn eigen loopbaan en activisme als transman en antiracist. Die zijn prettig opgewekt geschreven en zeer therapeutisch Amerikaans, waardoor je een goed inzicht krijgt in de denkwereld van een witte activist, inclusief ervaringen met stigmatisering op de werkvloer en bewustwording.

Maar wat is objectiviteit eigenlijk?

Wallace beroept zich op Just the Facts (1998) van David Mindich, een kleine maar scherpe studie naar de opkomst van het ideaal van ‘objectieve journalistiek’ medio negentiende eeuw. Tot die tijd was de Amerikaanse pers een toneel van heftige partijdigheid, ideologische oorlogen en yellow press-sensationalisme. Een ‘objectieve’ aanpak, gekenmerkt door onpartijdigheid en distantie, maakte het voor politici, schrijvers én adverteerders mogelijk om voor het eerst een breed, nationaal publiek te bereiken. Daarbij speelden ook andere factoren: verstedelijking, de opkomst van de middenklasse, technische innovaties en het ‘positivistische’ geloof in wetenschappelijkheid.

Zuidelijke lynchings

Die professionele aanpak werd al canoniek bij Amerikaanse kranten, toen de Nederlandse pers nog levensbeschouwelijk en politiek verzuild was. Het leverde vakkundige, strak geschreven journalistiek op, maar leidde ook tot quasi-objectiviteit en bevestiging van maatschappelijke verhoudingen, vanuit een gevestigd meerderheidsperspectief. Mindich geeft het voorbeeld (Wallace neemt het over) van de beroemde zwarte journaliste en activiste Ida B. Wells, die in haar eentje meer deed om de monsterlijke cultuur van openbare lynchings in het Zuiden aan de kaak te stellen dan The New York Times met honderden verslaggevers. Dat eerbetoon is terecht. Alleen, Wells stelde niet zozeer de onpartijdigheid van de media aan de kaak, als wel hun verholen partijdigheid. Dat ze daarin slaagde, kwam nu juist door het toetsbare waarheidsgehalte van haar geëngageerde reportages.

Mindich wilde in zijn kritiek op objectiviteit dan ook niet het kind met het badwater weggooien. Transparantie en engagement zijn in de journalistiek nodig, maar met behoud van onafhankelijkheid, verificatie van feiten en grondig gebruik van meerdere bronnen. Dat is ook de conclusie die Wallace in dit boek trekt.

Dat is nogal een anticlimax, die zijn kritiek op het beginsel van objectiviteit een hoog semantisch karakter geeft. Verificatie en grondig onderzoek van bronnen zijn nu juist hoekstenen van journalistieke ‘objectiviteit’: het oordeel volgt de feiten, niet andersom. Het gaat critici van objectieve journalistiek dan ook vooral om iets anders: afkeer van een slappe ‘hij zegt, zij zegt’- journalistiek die niet durft te kiezen en behoefte aan heldere prioriteiten en engagement. Daarnaast óók om invloed en posities: de eis dat redacties diverser worden, ook aan de top.

Te snel

Maar hoe ver ga je in journalistiek activisme, zonder dat feiten en gevoel voor dubbelzinnigheid toch weer ondergeschikt worden gemaakt aan je eigen morele helderheid? Aan die vraag gaat Wallace in dit boek te snel voorbij.

Hij is ook te veel onder de indruk van een populair filosofisch argument tegen objectiviteit. Dat luidt dat objectiviteit uitgaat van de misvatting dat de feiten ‘daarbuiten’ kant en klaar liggen te wachten om opgeraapt te worden door een onthechte passant, de journalist.

Tegenwoordig geldt het als een open deur dat dit idee obsoleet is: kennis en ervaringen zijn immers ‘gesitueerd’, iedereen spreekt uit een eigen perspectief, getekend door historie, cultuur en kleur. Dat inzicht heeft ook voor Wallace een onbetwijfelbaar openbaringskarakter.

In feite is het debat over kennis en objectiviteit in de filosofie een stuk subtieler. Natuurlijk is het bepalen van feiten en betekenis mensenwerk. Dat betekent nog niet dat beschrijvingen van de werkelijkheid per definitie een ‘interpretatie’ zijn of ‘subjectief’. Zomin als uit het feit dat sommige beschrijvingen spijkerhard zijn volgt dat ze allemaal waardevrij zijn. Waarheid wordt in uiteenlopende domeinen van spreken en oordelen tussen mensen anders vastgesteld – maar het kán wel, zonder dat alles ‘subjectief’ wordt.

Geld verdienen

Onder journalisten geldt objectiviteit ook niet als een filosofische overtuiging, maar eerder als een werkwijze, een methode om te voorkomen dat persoonlijke aannames of voorkeuren de conclusies van onderzoek dicteren. Dat sluit journalistiek engagement helemaal niet uit, zolang keuzes en uitgangspunten helder zijn en de bereidheid blijft bestaan om oordelen te herzien in het licht van de feiten. Goede journalisten zijn geen klakkeloze stenografen, maar ook geen dominees die al weten hoe alles zit.

Intussen heeft Wallace het tij meer mee dat hij lijkt te beseffen. Juist in de economische basis van journalistiek, waar hij weinig belangstelling voor heeft, is een structurele verschuiving opgetreden van adverteerders naar lezers. Ooit zorgden de eersten voor verreweg de meeste inkomsten van een krant, nu de laatsten. Volgens columnist Ben Smith van The New York Times hangt het verdienmodel van media inmiddels meer af ‘van hartstochtelijke lezers dan van benauwde adverteerders’. Ook hoogleraar mediastudies Marcel Broersma stelt in een recent nummer van Filosofie & Praktijk dat redactionele keuzes nu worden gestuurd ‘vanuit gebruikerspatronen’, die nauwgezet worden bijgehouden, en niet alleen door ‘journalistieke waarden’. Die twee kunnen overigens samengaan, meent hij.

Ook dat kan meer persoonlijke, uitgesproken journalistiek aanjagen. Maar ook die zal moeten streven naar toetsbare waarheid – in het besef dat die zelden kant en klaar is of uit één stuk.