Opinie

Interview met Het Virus (2)

Frits Abrahams

De eerste keer dat ik Het Virus exclusief voor NRC mocht interviewen was eind april toen hij met zijn uitgebreide staf resideerde in ‘een groot Amsterdams hotel’. „Het gaat nu weer beter bij ons”, zei ik destijds tegen hem. „Wacht maar af”, reageerde hij, „ik heb geduld, ik kan wachten. Jullie kunnen je niet eeuwig in jullie huisjes verbergen.”

Deze keer sprak ik hem op een diep onder de grond gelegen locatie, waar ik geen bijzondere kenmerken van mag prijsgeven, behalve dat er geen geluiden van buiten doordrongen. Hij had een keurig mondkapje voorgebonden, omdat hij mij „een goed hart” toedroeg en de berichtgeving in NRC over hem „redelijk evenwichtig” vond. Zelf had ik geen mondkapje voorgedaan omdat ik niet onnodig wilde provoceren. We namen plaats in een kleine, kale ruimte, op ruim anderhalve meter van elkaar verwijderd. „Dat schijnen jullie nogal belangrijk te vinden”, zei hij licht smalend.

„Het heeft ons behoorlijk geholpen”, zei ik, „zozeer zelfs dat we de tent weer bijna helemaal kunnen opengooien. U heeft onze premier en zijn trotse adjudant toch wel gehoord?”

„Ik ben er nóg moe van”, knikte hij, „vooral van die adjudant. Hij denkt mij nog steeds met een appje te kunnen pakken. Ik laat hem graag in die waan, maar als hij Mona Keijzer wil verslaan kan hij toch beter iets anders verzinnen.”

Ik wees hem er voorzichtig op dat hij stevig was teruggedrongen, ook gezien zijn nieuwe locatie.

„Welnee, alles gaat naar wens”, zei hij beslist. „Er gebeurt precies wat ik al in april tegen u voorspelde: jullie kunnen je niet eeuwig verbergen. De maatschappelijke druk wordt dan te groot. Ondernemers, opportunistische politici, antivaxxers en de gebruikelijke kudde ontevredenen gaan één front vormen. Ik hoefde me er maar zijdelings mee te bemoeien: een afgezant naar de aarde sturen die ik de naam ‘Engel’ meegaf; het leek me een nogal doorzichtige move, maar iedereen trapt erin.’’

„Rutte heeft toch goed de regie kunnen behouden”, wierp ik tegen.

„Dat lijkt maar zo”, zei Het Virus. „Hij kan moeilijk anders, maar in zijn hart vindt hij het vreselijk dat hij zulke risico’s moet nemen. Neem de Spoorwegen. Iedereen kruipt weer boven op elkaar! Met als enige bescherming die mondkapjes waar de mensen met hun vieze handen aan zitten. In de vliegtuigen idem dito. Straks mogen jullie weer Ajax en Feyenoord toejuichen – je dacht toch niet dat ze daar als het graf zwijgen als ze een doelpunt maken? En alle mannen mogen vanaf 1 juli ook weer naar de hoeren! Leve de Wallen, leve de toeristen! Leve Amsterdam!”

„U wordt cynisch”, zei ik.

„Dat is mijn vak”, beaamde hij. „Ik ben Het Virus, en niets anders. Als u wat verder wilt kijken dan uw Hollandse neus ziet u hoe goed het nog steeds met mij gaat. In Amerika, India, Rusland en Amerika zijn de dodencijfers geweldig, Latijns-Amerika trekt aardig aan, China en Duitsland hebben interessante oplevingen. U kunt mij partijdig noemen, maar ook dr. Fauci, die adviseur van Trump, heeft gezegd dat Amerika het virus nog steeds niet onder controle heeft: „The virus is not going to disappear.” Ook waarschuwt Fauci voor een mogelijk fatale combinatie van griep en corona komende winter.”

„U geniet”, zei ik triest.

Hij schudde het hoofd. „Ik doe mijn werk.”