Het vroomste deeltje in ‘t heelal

Iedereen leest Wekelijks schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Deze week: Oer. Het grote verhaal van nul tot nu over de geschiedenis van de kosmos met daarin een god die een flinke karakterontwikkeling doormaakt.

Niet langer hoeven wetenschap en religie elkaar te bijten, als het aan de auteurs van Oer ligt. Het scheppingsverhaal in Genesis en de big bang-theorie zijn uitstekend te integreren, is de portee van Oer, dat ondanks deze ambitieuze stelling en de veertien miljard jaar die het verhaal omvat slechts 160 bladzijden beslaat.

Oer. Het grote verhaal van nul tot nu is een co-productie van hoogleraar theologie Gijsbert van den Brink, nanobioloog Cees Dekker en kinderboekenauteur Corien Oranje. Het resultaat is ook een wat hybride boek – deels fictie, deels kinderbijbel, deels cursus oerknal in tien minuten.

Het verhaal, de geschiedenis van de kosmos, wordt verteld door een proton dat een seconde na de oerknal ontstond. Dit proton wordt deel van een heliumatoom, dan van een koolstofdeeltje dat later een molecuul vormt, dan een eiwit, tot er een cel ontstaat, en leven op planeet aarde. Proton maakt dit allemaal mee en geeft commentaar, in gesprek met andere protonen en neutronen in zijn atoomkern. Hij dobbert miljarden jaren ledig rond in de oersoep, maar aan het begin van de jaartelling is Proton getuige van Jezus’ geboorte en diens kruisiging.

Proton is ongetwijfeld het vroomste deeltje in het universum. Vlak na zijn ontstaan hoort hij over de ‘Schepper’ en diens plan met het heelal, veertien miljard jaar later heeft hij het er nog over. Deze ‘Schepper’ is aanvankelijk nogal laisser faire en acht ingrijpen nergens nodig. De oerknal wordt ‘een scheppingsdaad’ genoemd - alsof een aristotelische onbewogen beweger een tikje heeft gegeven tegen een kiem die zich vervolgens, geheel volgens de natuurwetten, heeft ontplooid tot de wereld van nu. De evolutie en de natuurlijke selectie zijn van tevoren bedacht: „[...] dat bleek precies in het plan van de Schepper te passen. De fouten in het gekopieerde materiaal zorgden juist voor variatie en ontwikkeling.”

De rol die aan de christelijke god wordt toegekend is daarmee de eerste 13 miljard jaar nogal marginaal. Hij roert zich pas weer als Homo sapiens zich aan de oersoep heeft onttrokken. De auteurs erkennen Homo sapiens als het product van evolutie – maar hij is „door de Schepper [...] aangesproken. Dat maakt hem voorgoed tot een ander wezen, enig in zijn soort.”

De kracht van de oerknal verandert in een god die een worstje wil grillen

Andersom voelt de schepper in Oer zich ook door de mens aangesproken, ondanks de in het boek beschreven zondeval. Die ooit zo onbewogen schepper wordt een wat wanhopige minnaar in het tweede deel van Oer: [...] blijkbaar heeft hij zijn hart verpand aan de Homo sapiens. Hij houdt zo veel van ze, dat hij hun leven wil gaan delen.” De christelijke god van Oer wil: ‘op aarde wonen, tussen de mensen, samen met hen [...] eten en drinken, samen met hen aan het kampvuur zitten’.

Het is nogal een karakterontwikkeling die deze god doormaakt in Oer: van een kracht die de oerknal ontketende tot een antropomorfe EO-god die een worstje wil grillen aan het kampvuur. In hun nawoord schrijven de auteurs dat zij willen laten zien dat ‘geloven en weten veel dichter bij elkaar liggen dan vaak gedacht wordt’. Maar in plaats van te beargumenteren waarom die schepper onontbeerlijk zou zijn voor het ontstaan van het heelal, worden in Oer wetenschap en christendom slordig aan elkaar gekit – en lijkt religie een reddelozer restproduct dan ooit.

Reacties: boeken@nrc.nl