Een leven gewijd aan de Marroncultuur

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Bonno Thoden van Velzen (1933-2020) onderzocht de cultuur van de Surinaamse Okanisi.

Thoden van Velzen heeft zijn Okaanse vrienden vijftien keer bezocht.
Thoden van Velzen heeft zijn Okaanse vrienden vijftien keer bezocht. Foto's privécollectie

Dede Bosikopu staat bovenaan de rouwkaart. Dat betekent ‘doodsbericht’ in het Okatongo, de taal van Marrons in het oosten van Suriname. Het droeve nieuws betreft Bonno Thoden van Velzen, emeritus-hoogleraar in de culturele antropologie in Utrecht en Amsterdam, die het grootste deel van zijn leven wijdde aan bestudering van de Marroncultuur. Op 26 mei stierf hij in het Brabantse Huijbergen, 87 jaar oud. Thoden van Velzen geldt in binnen- en buitenland als een vooraanstaand surinamist met een indrukwekkend oeuvre.

Hendrik Ulbo Eric Thoden van Velzen werd op 5 april 1933 geboren in Vlissingen als zoon van een stuurman van de koopvaardij. Het geslacht Thoden van Velzen stamt uit Oost-Friesland waar een lange reeks voorvaderen predikant was. Die stamboom kende hij blijkbaar goed, want uit onvrede met zijn voornamen ging hij zich Bonno noemen, naar een broer van zijn betoudovergrootvader, die in de 18de eeuw hoofd was van de militie in het Oost-Friese Emden.

In de jaren 1947-1950 was vader werkzaam bij de Dienst Scheepvaart van Tanjung Priok, in het net onafhankelijke Indonesië, en bezocht Bonno een Nederlandse middelbare school in Jakarta. Terug in Vlissingen deed hij in 1952 eindexamen en ging hij in dienst.

In 1955 schreef hij zich in aan de studierichting culturele antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Daar was net een jonge hoogleraar aangetreden, André Köbben, die maar acht jaar ouder was dan Thoden van Velzen. Het klikte tussen de twee. Twintig jaar later zou Thoden, zelf net hoogleraar in Utrecht, tegen Köbben zeggen: „Jij gaf de eerste inleiding in religieuze protestbewegingen in de niet-Westerse wereld en jij stelde de politiek-economische context van de Apartheid aan de orde, thema’s waar toen nog niet iedereen de mond van vol had.”

Tijdens zijn studie maakte hij kennis met een andere student van Köbben, Wilhelmina (Ineke) van Wetering, die zijn onderzoeks- en levenspartner zou worden. In mei 1961 vertrokken zij samen naar Suriname. Daar deden zij anderhalf jaar veldwerk in Diitabiki, een dorp van Okanisi aan de Tapanahoni, een zijrivier van de Marowijne. De Okanisi zijn Marrons, nakomelingen van gevluchte slaven die in het bosrijke achterland van Suriname autonome dorpen vormden, waar zij leven van hun tuinen en de jacht. Zij borduren voort op hun Afrikaanse erfenis en op sociale verbanden die in de Nieuwe Wereld zijn ontstaan. Thoden promoveerde op een boek over de nauwe band tussen politiek en religie bij de Okanisi; Van Wetering op een dissertatie over het Okaanse hekserijgeloof.

Na zijn promotie was Thoden van 1966 tot 1971 onderzoeker bij het Afrika Studiecentrum in Leiden. Hij verdiepte zich in die jaren in de socialistische Ujamaa-hervorming van de Tanzaniaanse president Julius Nyerere, die de kloof moest wegwerken tussen rijke en arme boeren. Thoden liet op basis van eigen veldwerk zien dat onder dit programma de sociale ongelijkheid juist toenam. In de jaren zeventig richtte hij zich opnieuw op de Okanisi, om dat onderwerp nooit meer los te laten. Hij heeft zijn Okaanse vrienden vijftien keer bezocht, voor het laatst in januari 2019.

In de jaren zestig werd Thoden sterk beïnvloed door de politieke antropologie van de Noor Fredrik Barth en de Brit F. G. Bailey. Zij analyseerden samenlevingen als het operatieterrein van sterke mannen, in Barths woorden ‘entrepreneurs’, en zagen de manier waarop zij volgelingen, macht en rijkdom vergaren als rationeel. In zijn inaugurele rede als hoogleraar in Utrecht, in 1973, nam Thoden van Velzen hier afstand van.

Hij sprak toen over het orakel van Gaan Gadu (Grote Godheid), bij de Okanisi de politieke instelling bij uitstek. Door uitspraken te manipuleren kunnen de hogepriester en zijn staf politiek gewichtige beslissingen forceren. Sterft de hogepriester, dan vervangt zijn opvolger oude stafleden door eigen vertrouwelingen. Dit lijkt pure machtspolitiek, maar, zei Thoden, Okanisi zien het als noodzakelijke zuivering van een instituut dat in de loop der tijd gecorrumpeerd raakt, want de mens is zwak en staat steeds bloot aan de verlokkingen van het Kwaad. Om de emotionele lading van het Okaanse wereldbeeld, waarin heksen en profeten optreden, te duiden zocht Thoden steun bij de psychoanalyse.

Hij schreef ook over de actualiteit, zoals de oorlog tussen het Nationale Leger van Bouterse en het Jungle Commando van de Marron Ronnie Brunswijk, en daarbij schrok hij niet terug voor harde oordelen. Na zijn emeritaat in 1999 trokken Thoden van Velzen en Van Wetering zich terug in een bungalow in de bossen van Huijbergen, waar zij bleven publiceren. In 2011 stierf Ineke. Twee jaar later verscheen hun beider boek Een zwarte vrijstaat in Suriname – De Okaanse samenleving in de 19de en 20ste eeuw, een fraaie proeve van geschiedschrijving op basis van orale tradities.